Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Wegens prangende vraagstukken gesloten

Door pauline luiten

Op maandag 2 juni om kwart over zeven ’s morgens besluit Jasmijn om niet linksaf naar haar werk in de bakkerij te gaan, maar rechtsaf. Ze heeft geen idee waarom, en ook niet waarheen. Het is een spontane ingeving. Al wandelend ziet ze hoe haar stad ontwaakt. De barman staat zijn terrastafeltjes te poetsen. De eigenares van het leuke boetiekje op de hoek zeemt haar ramen. Twee jongens sjokken naar hun studentenhuis om hun roes uit te slapen na een wilde nacht. Jasmijn geniet van deze gewone, dagelijkse dingen. Ze loopt langs het pleintje met het vijvertje, waar de bankjes nu nog leeg zijn, maar straks gevuld worden door de plaatselijke oudjes die van de lentezon willen genieten. Via de krantenman, die zijn stalletje al geopend heeft voor de vroege vogels die willen weten wat er in de wereld gebeurd is, komt ze aan bij het station. Achter het loket zit een nors kijkende, smoezelige man met een niet brandende peuk in zijn gelige mondhoek.
‘Goedemorgen, een kaartje alstublieft.’ zegt Jasmijn.
‘Waarheen?’ antwoordt de man kortaf.
‘Ik heb geen idee, wat kunt u adviseren?’ vraagt Jasmijn.
‘Ja hoor ’s, daar ga ik niet aan beginnen hoor.’ zegt de man met een zucht.
Jasmijn is even stil en zegt dan: ‘Als u nú zou stoppen met werken, gewoon ’t loket sluiten en weggaan, waar zou u dan een kaartje voor nemen?’
De man denkt na. Jasmijn ziet zijn lichtblauwe ogen een heel klein beetje oplichten, alsof het idee hem wel bevalt, en dan zegt hij: ‘Ik zou een open ticket nemen, in de eerste trein stappen die voorbijkwam en wel zien waar die me zou brengen.’
‘Doet u mij dan maar zo’n open ticket.’ zegt Jasmijn.
De man print het kaartje, Jasmijn betaalt en wenst hem vriendelijk een fijne dag.
‘Laat je me weten hoe ’t was?’ roept de man haar na.
Ze steekt haar duim op als bevestiging en verdwijnt tussen de mensen die richting de treinen lopen.

Op 2 juni om twaalf minuten voor acht ’s morgens stapt Jasmijn op spoor 2B in de trein. Ze gaat zitten in een lege wagon en sluit haar ogen. Ze kijkt niet naar buiten, want ze wil zich laten verrassen door waar de reis haar gaat brengen. Ze geniet van de stilte – kennelijk is dit geen drukke route – en denkt na over haar besluit. Heerlijk, om vandaag eens niet de altijd goedgemutste, vrolijke Jasmijn te zijn. Niet continu met iedereen te praten, niet te vragen naar de reumatiek van meneer De Boer, of naar de kleindochter van mevrouw Van Vliet. Niet voor stellen of ze vanavond even de hond van Maria uit zal laten, omdat zij weer eens een expositie heeft. Vandaag is ze alleen. En dat is helemaal niet erg.

Jasmijn sukkelt een beetje weg en wordt wakker als de trein stopt. Ze staat voor een oud stationnetje met een grote klok die nog maar één wijzer heeft. Er staat een klein, kalig mannetje met een turquoise jasje op het perron. Hij heeft net met zijn fluit het eindsein van de rit gefloten. Nu staat hij te vegen. Jasmijn stapt uit. Het begint al een beetje te schemeren. Ze heeft zich niet gerealiseerd dat de reis zó lang geduurd heeft. Heeft ze al die tijd liggen slapen?
Het mannetje heeft zijn bezem neergezet en begint met een soort lange stok met een vlammetje de straatlantaarns op het perron aan te steken. Jasmijn kijkt er met verbazing naar.
‘Pardon, mag ik u iets vragen?’ zegt ze. ‘Gaat dat niet elektrisch?’
Het mannetje kijkt haar vriendelijk aan.
‘Zo doe ik het al 40 jaar dame, en dat gaat al 40 jaar prima.’
‘Maar elektrisch gaat het toch veel sneller?’ zegt Jasmijn.
‘Waarom zou het sneller moeten?’ zegt het mannetje. ‘Ik heb de hele avond de tijd. Veel reizigers komen er toch niet meer. Sterker nog, ik maak dit straks wel af. Eerst koffie. Lust jij ook een bakkie?’ Hij steekt zijn hand uit en zegt: ‘Bertus. Aangenaam.’
‘Jasmijn, ook aangenaam,’ zegt Jasmijn. ‘en koffie zou d’r wel ingaan.’

Bertus gaat door een helderblauw geschilderd deurtje naar binnen en komt even later terug met twee mokken dampende koffie en twee enorme koeken.
‘Vanmorgen gebakken.’ zegt hij met een grote grijns. ‘Een mens moet zichzelf af en toe verwennen, nietwaar?’
Ze gaan samen op het groene bankje zitten dat tegen het muurtje staat, drinken hun koffie, en eten van de koek. Het is muisstil.
Ik moet wat zeggen, denkt Jasmijn. Dadelijk vindt hij me niet leuk, en gaat hij weer aan het werk. En dan? Wat moet ik dan?
‘Heerlijk hè, die stilte?’ zegt Bertus, alsof hij haar gedachten heeft geraden.
‘Vind je het niet saai?’ vraagt Jasmijn.
‘Nee hoor,’ zegt Bertus, ‘als je even niets te zeggen hebt, dan is dat zo.’
‘Mmm,’ zegt Jasmijn weer. ‘ik ben altijd bang dat niemand me ziet als ik niets vraag, geen grap maak, geen verhaal te vertellen heb. Het voelt alsof ik niet besta.’
Bertus zwijgt. Jasmijn ziet aan de frons in zijn voorhoofd dat hij nadenkt. Samen zitten ze weer een tijdje stil naast elkaar.
‘Ík zag je’, verbreekt Bertus de stilte. Er komen hier veel reizigers aan, maar jij viel me op, en toen had je nog niets gezegd.’
‘Tja, jíj zag me misschien wel, maar meestal is dat niet het geval hoor.’ Jasmijn kijkt Bertus aan.
‘Hoe weet je dat nou?’ vraagt Bertus. ‘Als jij meteen begint te praten als je iemand tegenkomt, dan weet je niet of hij je ook gezien had als je je mond had gehouden.’
Daar heeft Jasmijn niets op terug te zeggen.
‘Wat heeft ’t je tot nu toe gebracht?’ gaat Bertus verder. ‘Heb je veel vrienden, mensen die je het gevoel geven dat je ertoe doet?’
Over die vraag moet Jasmijn nadenken. Eigenlijk heeft ze geen echte vrienden. Ze voelt zich vaak eenzaam. Ja, zolang ze in de bakkerij staat, leutert ze met iedereen, maar zodra ze de deur ’s avonds achter zich dichttrekt is ze alleen. Ook al is het druk op straat.
‘Ik heet eigenlijk Pieter.’ vervolgt Bertus na een tijdje. ‘Men noemde mij altijd Pietertje, omdat ik zo klein was. Ik werd nooit serieus genomen. Ik deed alles om op te vallen. Niets werkte. Dus heb ik op een dag een stoere naam gezocht. Het werd Bertus. Ook dat hielp niets.’
‘Wat ik maar wil zeggen,’ zegt Bertus na een stilte die een eeuw lijkt te duren, maar niet onaangenaam aanvoelt, ‘is dat je bent wie je bent. Een stoere naam, een vlotte babbel … Als je echt gezien wil worden, wees dan gewoon jezelf.’
Jasmijn is er stil van. Diep in haar hart weet ze dat Bertus gelijk heeft. Maar ze heeft zich het praten zo eigen gemaakt dat ze niet weet of ze nog zonder kan.
‘Ik ga het proberen,’ zegt ze dan. ‘En voor wat het waard is, jij was mij ook meteen opgevallen, en toen wist ik nog niet eens hoe je heette!’

‘Pieter?,’ zegt Jasmijn nadat ze samen nog een tijdje heerlijk van de stilte hebben genoten. ‘Hoe laat kan ik de trein terug nemen?’
‘Hier komen alleen treinen áán, Jasmijn,’ zegt Pieter. ‘maar als je achter het station het veld in wandelt, ben je er zo.’
Jasmijn, licht verbaasd maar vol vertrouwen, staat op.
‘Dan moet ik maar eens gaan’, zegt ze.
Pieter en zij omhelzen elkaar.
‘Ik houd je op de hoogte.’ zegt Jasmijn en loopt achter het stationnetje het frisgroene veld in.
‘Niet nodig’, roept Pieter haar na. ‘Het gaat je lukken.’

Jasmijn kijkt omhoog naar de alweer lichter wordende blauwe lucht, ademt diep in en begint aan de terugweg. Na een kwartiertje op haar gemakje gelopen te hebben, merkt ze dat de omgeving verandert. Er staan al huizen en de straat waar ze in loopt komt haar bekend voor; bij het winkeltje op de hoek koopt ze weleens een ijsje. En ja hoor, daar is het station. De krantenman heeft flink verkocht en zit nu op een krukje een kopje thee te drinken. Vanuit een ooghoek ziet ze dat het loket van de kaartjesverkoper dicht is.
‘Wegens prangende vraagstukken voor onbepaalde tijd gesloten’, staat er met knalblauw krijt op geschreven.
Jasmijn glimlacht, en loopt via het pleintje met het vijvertje, waar het inmiddels al drukker begint te worden, naar de bakkerij, om op 2 juni om één minuut voor half negen ’s morgens, precies op tijd, de winkel te openen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch