Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Wij, Romeinse Keizers

Door EDDY MARIA VEREYCKEN

Frank leerde me hoe je met lege sinaasappelkistjes een huis kon bouwen.

Tientallen houten kistjes sleepten we naar onze tuin en bewerkten urenlang dunne plankjes met hamer en nagels. Spoedig groeide het eenvoudig houten huisje uit tot een labyrint van gangen en kleine kamertjes. De tuin, van dertig meter diep en twintig meter breed, stond na een halve dag vol houten constructies die bij nader toezien op een replica van de tempel van Salomon leken. Slechts één groot verschil: wij hadden hem opgericht zonder bouwmeester. Als vlijtige leerlingen hadden we meester Hiram niet vermoord om bouwplannen te stelen.

Eerst zouden we onze tempel omtoveren tot een oord van verderf. Inspiratie vonden we bij Heliogabalus.

In het schijnsel van een zaklamp had ik, vooraleer in te slapen, onder mijn beddenlakens: ‘Historiae, het leven van de Romeinsche Keizers’ van Tacitus, uit het Latijn vertaald door M.E. Meijer, verslonden. Vele pagina’s mankeerden, het kon niet beletten dat ik opgewonden raakte bij het lezen van de uitspattingen van geperverteerde keizers. Het wulpse leven van Heliogabalus, die zichzelf tot Lichtgod promoveerde, prikkelde mijn fantasie het meest. Deze vunzigste en smerigste van alle keizers inspireerde ons tot megalomane plannen. Heliogabalus, aanbad de Syrische zonnegod, Sol Victus. Hij strooide zijn tempel vol rozenblaadjes en brandde dure parfums gemaakt van oliën gewonnen uit hyacinten en sandelhout. Mijn vriend en ik maakten van een hoopje stenen een altaar en plaatsten er een omgekeerde bloempot op. In de bodemholte staken we een kaars. In de keukenkast vonden we droge laurierbladen en tijmstronkjes. Tuinkruiden maalden we in een diepe kom fijn en lieten het mengsel ontbranden met een lucifer – Oh! Brenger van het Licht! – kruidige dampen vulden het hele interieur van onze houten sinaasappeltempel. In de mooi aangelegde tuinen van de buren verzamelden we grote witte, oranje en gele pioenrozen. Met hun blaadjes overdekten we de bodem van onze tempel. Op een vuilnisbelt vonden we afgedankte matrassen, onze keizerlijke ligbedden! Het lustoord was klaar om slaven en slavinnen te ontvangen. Welk meisje uit de buurt zou willen meespelen in onze Romeinse tempelfantasieën? Wie wilde zich verlagen tot slavin? Wie zou zich ondergeschikt willen maken aan twee keizers die hun naakte onvolwassen torso’s in vergeelde beddenlakens hadden gedrapeerd? Zonder twijfel zou geen dochter van onze deftige buren zich aan onze bacchanalen willen onderwerpen. Ten einde raad wilden we het hele Romeinse ritueel opgeven, Frank voorstelde naar het negerdorp te gaan, daar zouden we een lelijk meisje zoeken dat zich naar onze wensen moest schikken.

‘Waarom een lelijk meisje?’ vroeg ik met opgetrokken neusvleugels.

‘Lelijke meisjes hebben meestal rare dingen in hun kop…ze zijn gewillig en heel geil!’

Om haar het zwijgen op te leggen zouden we nadien een geschenk geven. We zouden die namiddag ons plan zonder pottenkijkers kunnen uitvoeren, want mijn ouders hamsterden in winkels en supermarkten suiker. Mijn vader voorzag een derde wereldoorlog tussen de USA en de Sovjetunie en die kon alleen doorgekomen worden met een grote voorraad suikerklontjes.

In de oostelijke vleugel van onze tempel wachtten we tot de zware dieselmotor in de verte verdwenen was. Dadelijk vertrokken we naar het negerdorp.

Een verkommerde straat met kasseien vormde het hele negerdorp. Langs voetpaden met gebarsten plaveien lagen verroeste fietskaders en stukken meubilair. Op dorpels voor afgebladerde deuren zaten vrouwen met haarnetjes en vuile keukenschorten. Ze rookten sigaretten en schreeuwden onverstaanbare scheldwoorden naar ons. We droegen onze slordige ‘speelkleren’, die schril af staken tegen de sjofele kledij waarin hun kinderen op een hinkelspel heen en weer wipten. We probeerden niet naar links of rechts te kijken. Door een panische angst gegrepen liepen we boordevol schaamte om onze snobistische verschijning tussen al die paupers. We wilden vlug weg nog voor ze ons zouden lynchen. Op de terugweg hoorden we achter een beukenhaag iemand tellen: ‘één, twee, drie, vier! Eén, twee, drie en vier! Eén, twee, drie en vier…’ We keken door het lover van de haag en…ja, van heel dichtbij zagen we een lelijk mager meisje. Ze had een kastanjebruine paardenstaart bijeengehouden met een kleurloos elastiekje, het staartje wipte op en neer bij elke sprong in haar springkoord. Haar kort rokje waaide omhoog, ze droeg een wit onderbroekje. Spierwitte benen met krachtige kuiten regelden elke sprong. Geconcentreerd trilde haar tongetje in de hoek van haar mondhoek. Rond haar neusvleugels zwermden rode puistjes uit tot op haar hoge jukbeenderen. Onder dikke zwarte wenkbrauwen priemden diepliggende ogen. Zoveel was zeker: zij zou onze slavin worden. Een meikever fladderde plots met ronkende vleugels op uit de beukenhaag en raakte bijna mijn voorhoofd. Verrast ging ik rechtop staan. Verlegen hield het meisje op met touwspringen. Als dieren taxeerden we elkaar.

‘Viezeriken, waarom staren jullie zo naar mij?’ vroeg het meisje en zonder op een antwoord te wachten, sprong ze sneller dan voordien in haar touw.

‘Je kunt mooi springen…’

‘Ga ergens anders loeren!’

Het meisje sprong hoger en hoger op het snelle ritme van een onzichtbaar geworden touw waarvan slechts het ketsen tegen het asfalt hoorbaar was.

‘Eén, twee, drie en vier, één, twee, drie en…’

‘Zin om eens te gaan wandelen?’

‘Nee! Eén, twee, drie en…’

Ring, ding, dong!

De noodklok van het ijskarretje verbrak mijn verleidingsstrategie.

‘Zin in een ijsje?’

Mijn vraag klonk alsof ik tegen een meisje van glas sprak. Ik had nog een paar franken gespaard van onze laatste raid waarbij we bierflesjes uit leegstaande metselaarscabines op bouwwerven stalen en het glas voor één cent bij kruideniers inwisselden. Het meisje hield haar polsen stil, waardoor het springtouw met een ovalen lus in de lucht aan snelheid verloor, als een wasdraad bengelde het naast haar witte benen.

‘Wie betaalt?’

‘Ik.’

‘Waar zou jij het geld vandaan halen?’ Minachtend wilde ze haar spel hervatten.

‘Wacht!’ Ik liep naar de ijsventer en kocht met mijn statiegeld drie ijsjes. Tevreden schonk ik een horentje met drie bolletjes vanille aan haar. Ze liet haar springtouw vallen en omsloot het horentje met haar pezige handen. IJs ontdooide haar. Een lange bleke tong likte gulzig aan de zijkant van een bol vanille.

‘Ga je nu mee een wandelingetje maken?’.

‘Waar gaan we naartoe?’

‘Naar het Molenveld.’

‘Zo ver? Dat is voorbij de spoorweg…’

‘We willen je iets laten zien.’

‘Het zal wat zijn, zeker?’

‘Het is een verrassing…’

‘Ik haat verrassingen!’ zei het meisje en volgde ons likkend aan haar ijsje.

Op weg naar onze tempel klemden we met één hand een elektrische draad van een weide vast en smeten keien op het wateroppervlak van een vijvertje. Het meisje negeerde ons en beet de punt van haar horentje, met opslorpende geluidjes zoog ze het langs de onderkant leeg.

In de tuin openden we plechtig het houten tempeldeurtje. Alsof ze er dagelijks kwam plofte het meisje op een Keizerlijk ligbed neer en strekte zich lang uit. Dit stond niet in ons scenario! Ze gedroeg zich niet als een slavin, ze was de hoerige Messala zelf die tussen ons zou kiezen wie haar deze middag mocht verwennen.

‘Jij daar! Waarom sta je daar zo te gapen? Kom hier zitten en voel maar eens.’

We veranderden in zoutpilaren. Met een sprongetje kwam ze recht en greep mijn hand hard vast.

‘Knielen!’

Haar stalharde blik dwong me te gehoorzamen. Het lelijke meisje drukte mijn keizerlijke aspiraties met één werkwoord de kop in. Zij kwam uit het negerdorp, ik werd haar zwarte slaaf.

‘Mmm…ikke…wij…wilden…wild….niet…slaven…ik…wwww…’

‘Wat?…www….wwww…raaaaah!!!’ slordig imiteerde ze mijn gestotter dat snel overging in een bevel: ‘Kom hier!’

Geknield zag ik een geel urinespoor op haar witte onderbroekje. Ze duwde mijn neus dieper in haar schoot. Ik walgde van een golfje urinegeur en bevrijdde me uit haar greep.

‘Ik zal het zelf wel doen…’

Ze liet haar onderbroekje met een ruk tot aan haar knieën zakken. Mijn vriend keek hulpeloos.

‘Wat zijn jullie voor flauweriken!’

Het meisje brak een stengeltje van een rozenknop en hield het takje tegen het kale spleetje van haar vagina.

‘Is hier een dokter aanwezig?’

Uitdagend vleide ze zich op de matras tot ze in een zijdelingse houding lag. Deze decadente keizerin schakelde vlot over op een ander spelletje: ‘Doktertje spelen’. Onttroont veranderde ik in een Romeinse dokter, naderde op mijn knieën, nam het stengeltje en frommelde ermee in haar nauwe spleetje. Mijn vriend mocht als assistent van de dokter over mijn schouder mee kijken. Dit hadden we nog nooit gezien? Geen aanhangsel zoals bij ons! Slechts een gaatje! Voorzichtig gleed het stengeltje in de smalle opening. Het meisje liet me begaan. Wij werden met zijn drieën rozentakje én schaamlippen. Onverwacht mepte ze tegen mijn kaak, trok haar broekje op en liep weg. Voor ze het tempeldeurtje opende, keek ze hautain naar mijn vriend, snel keerde ze terug en gaf hem ook een kaakslag. Ze rukte het met dunne plankjes aaneen getimmerde tempeldeurtje uit zijn hengsels en verdween.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam