Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Winneweer

Door Inge Kielen

De foto was voor de oorlog gemaakt, zonder twijfel. Zittend aan het hoofd van de keukentafel doofde hij zijn sigaret en nam de ansichtkaart op. Hij zag een kudde schapen op een landweg, een herder en zijn hond. Mooi Nederland, luidde het bijschrift. Hoeveel van die schapen zouden er nu nog op hun poten staan? Hij zag voor zich hoe de herder, tegen het einde van de hongerwinter sterk vermagerd, zijn laatste schaap slachtte. Misschien leefde hij nog, dankzij de schapen. Over de hond had hij zijn twijfels.

‘Wilde je dit naar je neef sturen?’ Hij liet lucht ontsnappen door het gat tussen zijn voortanden. Op de achterzijde van de kaart stond het adres in Den Bommel al genoteerd. Een boodschap ontbrak. Hij legde de kaart terug op tafel, het vredig ogende tafereel aan de bovenzijde. Truus stond met haar rug naar hem toe. Ze nam het koffiefilter van gisteren uit de houder en liet hem vanaf heuphoogte in de emmer vallen.

‘Lijkt het je niet ongepast?’ vroeg hij. ‘Ze zouden het verkeerd uit kunnen leggen. Als ze zien dat het van ons komt, lezen ze er misschien een niet-bedoelde boodschap in. Je weet hoe ze zijn, daar in het westen. Ze nemen aanstoot aan alles wat wij normaal vinden.’

Ze trok een keukenkastje open en haalde een schoon filter uit het Melittadoosje. ‘Het zijn gewoon schapen,’ zei ze. ‘En een oud mannetje. Je kunt overal wel iets achter zoeken. Mensen moeten niet zo moeilijk doen.’

‘Maar er staat: mooi Nederland.’

‘Ja!’ Ze sloeg ze het kastje dicht en draaide zich naar hem om. Sinds wanneer waren de groeven tussen haar neus en mondhoeken zo diep? Kwam het door haar leeftijd, de vruchtbare jaren voorbij, of doordat haar gezicht mollig werd? Misschien had het iets te maken met de strafheid in haar oogopslag, die na de bevrijding leek toe te nemen.

‘Nederland is toch ook mooi?’ zei ze. ‘Of moeten we tot in het einde der tijden treuren om wat er in het verleden is gebeurd? Die mensen wonen driehonderd kilometer van ons vandaan. Alsof zij ooit vragen hoe het met ons is. Hoe het voor óns was, om tegen de Duitse grens aan te wonen.’

‘Truus.’ Hij stak een nieuwe sigaret op en zoog de moed eruit. ‘Die mensen hebben hun zoon verloren.’

Hij had rekening gehouden met een volgende uitbarsting, maar ze zeeg neer op de keukenstoel aan de aanrechtzijde. Haar vingers speelden met het koffiefilter. ‘Ik moet er ook nog iets opschrijven,’ zei ze. ‘Iets wat vriendelijk klinkt.’

‘Dat we met ze meeleven.’

Ze zuchtte. ‘Dat we binnen dezelfde landsgrenzen geboren zijn, is alles wat we gemeen hebben. Daar ben ik zeker van.’

De woorden ontsnapten aan zijn keel voordat hij er erg in had. ‘Jij was natuurlijk liever aan de andere kant geboren.’

‘Wat zeg je?’

‘Aan de andere kant van het land, bedoel ik.’ Hij knikte naar de kaart. ‘In het westen. In de buurt van je vaders familie.’ Hij keek haar recht in de ogen en glimlachte. Misschien dat hij een ontwapenende indruk maakte.

‘Waarom zou ik dat willen?’ Ze stond op en schoof haar stoel aan. De houten poten krasten over de vloer. Ze draaide zich naar het koffiezetapparaat en duwde het filter met kracht in de machine. Ze zette het bakje onder de koffiemolen, die op schouderhoogte aan de muur hing. ‘Je bedoelde,’ zei ze, terwijl ze aan het hendel draaide en de molen begon te knarsen, ‘dat ik liever aan de Duitse kant van de grens geboren was.’

Hij trok aan zijn sigaret en keek naar zijn vrouw, naar haar stevige postuur en haar bruine, wollen jurk. Ze hadden het de afgelopen jaren niet slecht gehad, Truus en hij. De gemalen koffie liep in een dun straaltje in het bakje, als het zand van een zandloper.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch