Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zacht voor de tijd van het jaar

Door maartje molenaar

Het is zacht voor de tijd van het jaar, denkt ze als het natte zand zich tussen haar tenen door perst. Na een aantal kleine golfjes is het de beurt aan een grote en hij spoelt over haar voeten, tegen haar enkels en meteen ook het laatst restje warmte van deze helemaal niet koude oktoberdag weg.

Ze bukt om haar strakke, elastische spijkerbroek tot net onder haar knieën op te stropen en een onverwachte giechel kruipt omhoog. Alsof dit nut heeft, denkt ze hoofdschuddend met de glimlach nog op haar gezicht.

Maar net als de meeste voorgaande glimlachen van de afgelopen jaren is hem niet een lang leven beschoren. Van onder in haar buik, of nog verder eigenlijk, vanuit de kern van haar lichaam beginnen de eerste cellen te protesteren tegen zoveel frivoliteit als een glimlach. De cellen steken elkaar aan en vormen samen een felle steek die vanuit de buikstreek door haar hele lichaam trekt. Haar benen krampen, haar maag trekt samen, haar kaken verstijven en de glimlach veranderd in een grimas.

Het is niet eerlijk.

Ze kijkt naar de horizon en de wazige windmolens in de verte. De windstille oktoberdag, zo warm als een goede junidag maar met de geuren en beloftes- of dreigementen- van de herfst al volledig aanwezig , laten haar gedachten dwalen. Op precies zo’n dag leerde ze haar man kennen. En ook al zijn de jaren telbaar, het lijkt oneindig lang geleden. Ze waren beide net 17 jaar oud, jong natuurlijk, maar zelf vonden ze zich oud. Oud genoeg in ieder geval. Nog geen twee jaar later trouwden ze en bleven de kneuterige twee handen op één buik in alle gelukzalige dagen die volgden.

Het was goed. Té goed.

Even sluit ze haar ogen en zucht de protesterende krampen weg. Het was eenzelfde soort dag toen ze achter de kist aan de aula uitliep. De bomen vlamden vurige kleuren in het rond, maar nooit zou ze er meer van kunnen genieten.

‘Zestien jaar,’ fluistert ze tegen de molens. ‘Zestien jaar geleden en het houdt nooit op. Het neemt toe. Het wordt alleen maar erger.’ Ze bukt om haar handen door het zoute water te halen en dept haar schrale wangen nat.Zoute wangen. Ze laat het wel om weer te glimlachen.

Hoe kon ik zo stom zijn om te denken dat het beter zou worden. Dat het geluk mij weer zachtjes begon toe te lachen? Het water klots geruststellend monotoon tegen haar kuiten. Kippenvel kruipt over haar benen en door naar haar rug.

Het was vorig jaar oktober, iets eerder in de maand dan nu, dat de deurbel ging. En dat ze opendeed. Dit deed ze niet al te vaak meer. Eigenlijk nog maar zelden. Maar de zon scheen opvallend uitbundig, de ramen stonden open en de radio aan. Nu niet de deur openen zou wel erg asociaal zijn; ze was overduidelijk thuis. En ze verwachtte een pakketje -nieuwe cursusboeken-, de bezorger zou hem vast niet op de stoep achterlaten. Ze zal een briefje in de brievenbus vinden met daarop de melding het pakketje bij de buren of het postkantoor op te halen. Zeg nou zelf, wat is erger? Mevrouw de Wit van nummer 11 onder ogen moeten komen, de thee niet kunnen weigeren en het fotoalbum van de laatste seniorenbusreis bekijken óf nu even drie woorden met de pakketbezorger wisselen? Even knikken bij het horen van haar achternaam, bedanken en een fijne dag wensen.

Ze schoof het mechanisme van de vergrendeling opzij, de deur piepte zoals altijd en zoals altijd nam ze zich voor hier iets aan te gaan doen -wat overigens altijd bij een voornemen bleef.

Ze hief haar hand op om de felle laagstaande zon uit haar ogen te weren waardoor ze in staat was contact te maken met de meest blauwe ogen die ze ooit had gezien. Ze stopte uit een reflex haar rechterhand in haar broekzak en dezelfde hogere macht liet haar wangen kleuren en zichzelf vervloeken om haar extreem beroerde kledingkeuze van deze dag. Een grijze, uitgezakte joggingbroek gecomplementeerd met bijpassend, eveneens te groot, zwart mannen t- shirt. Zonder V-hals. Ook dat nog.

Maar de gouden herfstzon had- zo legde hij haar later uit- haar groene ogen doen oplichten en hem dusdanig verblind dat hij resoluut bij haar naar binnenliep, door naar de keuken om het zogenaamde ernstig zware pakketje voor haar naar binnen te dragen.

Hier bleek de koffie heerlijk te geuren, evenals de appeltaart in de oven en sloeg hij de, niet alleen uit beleefdheid, aangeboden bovengenoemde zaken niet af.

Met licht trillende handen sneed ze de nog warme taart aan en keek naar haar opeens ring loze vinger. Ook al had hij haar de ring heimelijk zien afwurmen, toch zei hij er niets van, probeerde niet naar de naakte vinger te kijken en nam met de meest ontwapenende glimlach zijn grote appelpunt aan.

‘Ja lekker,’ antwoordde hij op de vraag of er misschien slagroom op moest.

‘Alsjeblieft,’ zei ze terwijl ze er een dikke klodder op schepte en naast hem aan de keukentafel plaats nam. Alsof ze altijd al zo zaten. Alsof hij er altijd geweest was.

De winter deed zijn intrede maar de deur piepte niet meer. De ramen bleven dicht, de radio stond niet altijd aan maar toch klonken er geluiden in haar huis. Als ze langer in bed bleef liggen dan normaal hoorde ze hem beneden in de keuken ontbijt klaar maken. Als ze thuis kwam uit haar werk hoorde ze soms boven de douche al lopen. Dat soort geluiden. Er werd weer geleefd. Van binnen uit. De radio was niet meer nodig om de stilte te doorbreken, de geluiden van buiten overbodig om haar razende gedachten te onderbreken.

Het leven kabbelde voort naar de lente en stroomde over in de zomer die vervolgens uitmondde in een bijzonder lauwwarme herfst.

Zondagmorgen, bijna middag en ze lag nog heerlijk loom te luieren in bed. De kruidige herfstzon scheen door de kieren in de gordijnen en recht in haar hart. Ze zuchtte diep maar voorzichtig om zoveel eenvoudig geluk.

Ze leunde naar de telefoon naast het bed en drukte het nummer van haar schoonzus in.

´…als je wilt kun je blijven eten vanavond? Dan kan je hem eindelijk ontmoeten.’

Ze zwaaide haar benen over de rand van het bed en hoopte dat Esther hem niet op haar broer vond lijken. Zelf zag ze duidelijk grote verschillen. Maar een buitenstaander?

‘Oké, gezellig tot straks!’

Ze schoof haar pantoffels aan om hem, die ze beneden met de stofzuiger in de weer hoorde, te vertellen dat ze bezoek kregen. Hij had er nooit op aangedrongen maar ergens voelde ze het groeiende onbegrip soms tussen hen in beginnen te staan. Het was al herfst, de tijd was rijp.

Nog voordat haar -eigenlijk voormalige- schoonzus de bel in kon drukken trok ze de deur al open. Met één hand boven haar ogen en een grote glimlach om haar lippen keek ze in de intens blauwe ogen van Esther.

‘Meis, wat ben ik blij voor je. En wat zie je er goed uit!’ Esther liep op haar af en gaf haar twee dikke zoenen.

‘Dank je. Ik voel me ook goed, super zelfs,’ zei ze en bleef opeens halverwege de hal staan en keek haar schoonzus aan. ‘Dat vind je toch niet erg? Of raar?’

De woorden: ja verschrikkelijk, uitgesproken met een nieuwsgierige twinkeling in die bekende blauwe ogen, lieten het laatste restje zenuwen wegsmelten.

‘Kom, hij zit in de kamer. Met zijn studieboeken,’ zei ze opgewonden, ‘Hij volgt een cursus Russisch.’

Ze zwaaide de kamerdeur open en keek met toch wel een beetje trots naar háár lief in de luie stoel. Hij legde zijn boek op de stapel en keek naar de twee vrouwen in de deuropening.

‘Esther, dit is Jasper. Jasper, dit is Esther.’

Er viel een stilte. Buiten vloog een kraai krassend op en zijn stem leek door het openstaande raam de hele kamer te vullen.

‘Lievie?’

Esthers arm op haar schouder.

‘Lieverd?’

Ze pakte haar nu bij de ellenboog.

Jasper in de stoel bleef onbeweeglijk zitten. Als bevroren en bijna transparant. Hij leek te verbleken.

‘Wat?’ zei ze iets norser dan nodig.

‘Lievie, kom even mee naar de keuken. Ik denk dat we even moeten praten.’ Met haar arm stevig vastgeklemd werd ze weg van de lege luie stoel, de lege kamer en naar haar keuken geleid.

Natuurlijk had dokter Zwart morgen meteen tijd voor haar. En nee, natuurlijk was het niet raar. Het zou allemaal goed komen.

Na twee sterke koppen koffie en de afspraak haar morgen om elf uur te komen ophalen vertrok Esther.

Monotoon klotst het water tegen haar benen. Na enkele beschaafde golfjes komt er weer een grotere aanrollen en spoelt over haar gezicht, haar haren zweven even als een krans om haar hoofd totdat het water zich weer terugtrekt.

Het is zacht voor de tijd van het jaar. Toch is haar lichaam koud.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam