Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zand

Door Michelle van der Kind

Het gras voelt koud tussen mijn tenen. Ik heb de smaak van natte aarde in mijn mond. Hier in dit land is geen stof, hier is water. Het zit in de grond onder mijn voeten, het zit in de stenen op straat, in de lucht die ik inadem. Ik kriebel met mijn tenen door de sprieten, grijp me vast in de aarde. Niet omvallen, zegt papa altijd, en als je je evenwicht verliest, doorlopen.

Een ronde dame met rode lachende konen geeft me nieuwe schoenen: witte gympen met lichtjes in de zolen. ’s Avonds word ik een kangoeroe en spring in het donker door de kamer. Over het bed, over de kale muren flitsen rode en blauwe stippen. Mijn broer zit lachend in de vensterbank, steekt een duim op. Hij heeft geen schoenen gekregen, Hij draagt nog zijn oude slippers.

Sabah, zegt hij, als je zo doorspringt gaan de lampjes nog stuk. Of de batterijen houden ermee op. Ik ga op mijn tenen staan, de lichtjes op de muur doven. Ik vraag of hij mijn gympen ook wil proberen en begin de veters al los te maken. Hij schudt zijn hoofd, zegt dat het niet hoeft. Het zijn jouw gympen, zegt hij, je hebt ze verdiend.

’s Nachts horen we aan de andere kant van de muur iemand snurken. Het is niet papa. Hij snurkt ook, maar in ons huis waren de muren van dik steen. Op het laatst was de sterrenhemel mijn plafond. Ik zocht iedere avond naar vallende sterren omdat je dan een wens mag doen. Ik heb veel gewenst, en toch ben ik nu hier.

We laten ons natregenen, ik ben op blote voeten, ik ben bang dat de lampjes in de zolen anders kapot gaan. Dat zegt mama altijd: water en vuur gaan niet samen. Dat was vroeger, mijn broer en ik maken nu nooit meer ruzie. We laten de grote koude druppels op onze hoofden regenen, mijn haren hangen in slierten langs mijn gezicht. Mijn broer klappertandt, ik lach.

In twee dagen tijd verkennen we het dorp. De straten zijn recht, de huizen zijn klein en allemaal hetzelfde, maar de mensen die er wonen lijken niet op elkaar. Uit de deuren en de ramen vallen allerlei klanken naar buiten die we niet kennen. We hebben nog geen kinderen gevonden die onze taal spreken.

Er wordt op de deur geklopt. De man met de snor die ik vanmorgen in de badkamer tegenkwam, komt een bakje met rijst en vlees brengen. We delen de maaltijd, mijn broer en ik, samen in kleermakerszit op het witte bed. Ik mors saus op de lakens, mijn broer zegt dat het niet uitmaakt. Een jongetje met een snotneus komt het bakje even later weer ophalen. We hebben hem nog niet eerder gezien, wel gehoord. ’s Nachts roept hij dingen die we niet kunnen verstaan.

Er staat een hek om het dorp, maar de toegangspoort gaat altijd open. We kijken op een afstandje toe hoe de rood met witte paal omhoog klapt als er een auto langs wil. Soms zien mijn broer en ik kinderen op fietsen naar ons kijken. Ze zwaaien niet terug. Ik hoop dat de ronde dame me een fiets komt brengen. En een voor mijn broer. Maar we kunnen ook samen op een fiets, dan ga ik bij hem achterop.

Ik verstop me onder de dekens. Niet het jongetje met de snotneus komt binnen, maar de ronde vrouw. Ze gebaart dat ik mee moet komen. Mijn broer knikt. Ga maar, zegt hij, ga maar. Ik kom zo. Ik laat je niet alleen. Ik vraag aan de ronde vrouw of ik mijn nieuwe gympen mee mag nemen, maar ze verstaat me niet. Mijn broer zegt dat ik het niet moet vragen. Trek ze maar gewoon aan, zegt hij, dan kan die dikke ze niet meer van je afpakken.

De ronde vrouw brengt ons naar een stenen huis met een puntdak aan de andere kant van het hek. In de kamer staat een televisie. Mijn broer gaat op de bank zitten wachten tot hij aangaat. Ik ga niet meteen naast hem zitten, maar loop naar het raam. De bladeren van de planten op de vensterbank zijn bedekt met een laag stof. Geen zand. Het lijkt op as. Ik maak met mijn wijsvinger sporen op het groen.

Aan tafel overlegt de ronde vrouw met twee mensen die zich met serieuze gezichten aan me voorgesteld hebben. Mijn broer gaven ze geen hand, maar dat wilde hij ook niet, hij hield zijn handen in zijn zakken en knikte alleen met zijn hoofd. Ik veeg mijn sporen in het stof uit. Een bolletje blijft aan mijn vinger plakken.

Achter mijn rug zijn ze gestopt met praten. Ik voel ogen in mijn rug prikken. Mama is allergisch voor stof, zegt ze altijd, ze loopt altijd te vegen (en te klagen), maar deze mensen willen misschien niet dat ik de bladeren schoonveeg.

De ronde vrouw stapt in haar auto, zwaait, rijdt weg. Dan zijn we alleen, mijn broer en ik, met de nieuwe mensen. De vrouw dekt de tafel, glimlacht steeds naar me. We zeggen niets. We verstaan elkaar toch niet. Er komt een pan op tafel. Mijn broer komt achter mijn stoel staan. Zijn handen houdt hij op de rugleuning. Hij gaat niet zitten, ook al is er aan tafel ook een plek voor hem vrij. Op mijn bord ligt een smurrie. De vrouw wijst ernaar, zegt hoe het heet. Als ik het woord herhaal, moeten ze allebei lachen. Ik voel mijn wangen rood worden, de vrouw legt een hand op mijn arm. Ze heeft warme, zachte handen. Mijn broer klakt met zijn tong. Ze zijn de kruiden vergeten, zegt hij, hun gerechten smaken zompig. Ik weet niet wat dat is ‘zompig’.

De hoge klok in de kamer helpt me met zijn doffe slagen iedere dag herinneren wanneer het tijd is om aan tafel te gaan. Mijn broer wil nog altijd niet mee-eten, hij staat achter me, de laatste tijd word ik er zenuwachtig van. Hij tikt op mijn schouder, buigt zich naar me toe, zegt in mijn oor: ze doen wel vriendelijk, die Arie en Lida, maar je weet het nooit. Het zijn papa en mama niet. Ik leg mijn vinger op mijn lippen, hij moet niet door ze heen praten, dat is niet netjes. Arie en Lida kijken opzij, hun lepels blijven zwijgend boven hun borden in de lucht hangen. Ik wijs op mijn broer, haal mijn schouders op. Ze kijken in de richting van mijn vinger. Mijn broer duikt weg achter mijn rug. Dan praten ze verder alsof het niet vreemd is wat mijn broer allemaal uithaalt. Ik begin al woorden te herkennen. In gedachten veeg ik het stof van de taal.

Ik heb een nieuwe rugtas. Hij hangt aan mijn stoel. De juf noemt mijn naam, alle hoofden draaien mijn kant op, ik glimlach, kijk weg naar buiten, waar mijn broer tegen een boom leunt op het schoolplein. Hij zwaait, ik knik. De juf schrijft sommen op het bord. In mijn hoofd klinken de getallen anders, maar ik kan de sommen wel uitrekenen. De juf loopt langs de tafels, ik krijg een schouderklopje. Ze legt haar handen op mijn schouders, ze laten een afdruk van krijt achter op mijn trui. Mijn broer op het plein heeft het niet gezien, hij staat op zijn telefoon te kijken, zijn rug tegen het hek, zijn linkerhand diep in de zak van zijn spijkerbroek. Ik vraag me af of hij geen koude voeten heeft, zo met die slippers. De hak van mijn gympen licht op onder mijn tafel, het meisje naast me kijkt er bewonderend naar. Ik blijf met de zool op de grond duwen, zodat de lampjes blijven branden.

De juf blijft bij mij staan, kijkt in de richting van de boom op het plein. Ik wijs. Mijn broer, zeg ik, hij wacht op me. De juf knijpt haar ogen tot spleetjes. Er is daar niemand, zegt ze, en ook niet je broer. Mis je hem erg? Ik haal mijn schouders op. Hoe kan ik hem missen als hij er altijd is?

Ik heb tegen mijn broer gezegd dat hij niet meer bij me in bed mag liggen en nu zit hij te mokken aan mijn voeteneind. Hij speelt met het lichtknopje. Aan. Uit. Hou nou op, zeg ik in mijn nieuwe taal. Hij lacht. Gaat gewoon door. Aan. Uit. Ik versta je niet meer, zegt hij, als je zo praat, luister ik niet. Hij doet het licht weer aan. Ik verstop me onder de deken. Ik hoor het knopje, maar het blijft donker.

Als ik wakker word, is de kamer leeg. Ik ga uit bed, schuif de gordijnen open. Op de schommel zit mijn broer, zijn slippers hangen losjes aan zijn tenen. Ik klop, hij draait zijn hoofd, ziet me, zwaait. Dan staat mijn broer op en loopt de tuin uit. Met een klap valt het tuinhek dicht.

1 reactie

Leonieke Baerwaldt

donderdag, 15:54

Wat een fantastisch verhaal!

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch