Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Ze is dood

Door Katrien Verelst

Francis lag in bed met Elsa toen hij het nieuws vernam over de dood van zijn vrouw. Door het halfopen raam zag hij de oranje gloed van de straatverlichting met daarachter het poederblauw van de invallende duisternis. Welke dag was het en waarheen was die gevlucht? Hij hield de hoorn aan zijn oor, hoorde een gesmoorde stem een noodlottige boodschap brengen maar de rook in zijn hoofd maakte hem doof voor de woorden. Elk geluid werd overstemd door de explosies achter zijn oogleden. Een betoverend lichtspektakel speelde zich af tegen een decor van fluorescerend magenta. Francis wilde zich overgeven, zich laten meedrijven op de dikke, golvende kleurenmassa op zijn netvlies toen hij tegen de achtergrond van de doffe knallen binnenin zijn schedel de stem van zijn moeder herkende. Ze vuurde haar woorden op hem af als kogels uit een machinegeweer maar de kater van de voorbije zaterdagmiddag had zich als een pantser om zijn schouders gelegd. Francis bleef ongedeerd, de verpletterende waarheid drong niet tot hem door.

Hij keek toe hoe Elsa zich oprichtte en uit bed stapte. Haar gezichtsas en daarna ook de middenas van haar blanke lijf krulden zich volgens de dynamische lijn die het bed met de traphal verbond. De botpunten van haar schouderbladen en haar onderste ruggenwervel vormden een perfecte driehoek en de schaduw, die het armtierige peertje boven het bed op haar opgestoken haren wierp, viel precies over de mysterieuze meetkundige figuur en verdonkerde haar blanke huid als een ondiepe poel smeltwater in een gletsjermeer. Wat een speling van het licht. Hij ging rechtop zitten en wreef met één hand de slaap en de rotjes uit zijn ogen. Hij probeerde zich te concentreren op de stem in de hoorn die intussen luidkeels snikte en nog nauwelijks verstaanbaar was. Een fijne laag pleister op zijn tong leek te scheuren toen hij iets probeerde te zeggen maar hij kreeg geen woord door zijn uitgedroogde strottenhoofd. Hij bukte zich, greep het glas dat naast zijn voeten op de grond stond en nam een slok oude porto waarmee hij de pleisterlaag op zijn tong wegspoelde.

‘Ze is dood, Francis. Waar zijn de kinderen?’

Francis liet de hoorn uit zijn hand vallen en zakte naar adem snakkend in elkaar naast het bed.

Toen hij weer bijkwam merkte hij aan het flauwe, oranje schijnsel op het plafond dat het nog steeds nacht was. Hij riep Elsa’s naam door de openstaande deur en hoorde zijn klinkers op de treden naar beneden botsen. Er kwam geen antwoord. Naast hem op de grond zag Francis haar karmijnrode laarsjes staan. Hij keek de kamer rond op zoek naar nog meer bewijs van haar aanwezigheid maar haar tas was verdwenen. Ook haar jasje hing niet meer over de stoel van kersenhout aan haar kant van het bed. Hij bedacht dat ze vast om sigaretten was bij de nachtwinkel drie straten verderop.

Onderweg naar beneden verloor hij zijn evenwicht, viel met zijn volle, naakte gewicht tegen de badkamerdeur aan en strompelde onbedoeld en onhandig de kleine, raamloze ruimte binnen. Het licht boven de spiegel brandde nog, dus Elsa had zich opgemaakt. Een veeg lipstick op een maagdelijk wit wattenschijfje lag als een zoen op de rand van de wastafel. Misschien had ze een oogje op Khalid, de eigenaar van de nachtwinkel. Laatst hadden Elsa’s gestifte lippen Khalid de huid vol gescholden omdat hij haar te weinig had weergegeven op een briefje van twintig. Sindsdien betaalde ze enkel nog gepast en noemde ze hem Khalief, omdat het rijmt op dief. Francis glimlachte en liet het lampje boven de spiegel branden.

Beneden was alles donker. Op de tast vond hij de koelkast en zette een halflege fles witte wijn aan zijn lippen. Zijn dorst werd gelest, zijn honger gestild. Hij voelde de scherpe randen die aan de voorbije nacht zaten zachter worden en hij voelde de greep om zijn hart verslappen. Hij nam nog een slok en dacht aan Nora. Zou hij de begrafenis moeten regelen? Francis sloeg met een klap de koelkast dicht en probeerde de kamer rond te kijken maar hij zag enkel kobaltblauwe olievlekken, het licht van de koelkast had hem zo goed als verblind. Hij liet zich op de grond zakken met de fles in zijn handen en nam nog een slok. Toen hoorde hij zacht geschuifel tegenover hem in de kamer, in de hoek waar de kleine, bordeaux sofa stond.

‘Elsa, ben jij dat?’

Hij zag haar in gedachten voor zich, naakt, benen gekruist, sigaret in de hand en dan die blik van haar, die broeierige, onpeilbare blik vol overgave en afwijzing tegelijk die hij al zo vaak had proberen te vangen maar die hem steeds wist te ontglippen

‘Ja, hier.’

Francis zag haar niet. Hij kroop op handen en knieën voorzichtig in de richting van de sofa.

‘Elsa, ik heb vreselijk nieuws, er is iets verschrikkelijks gebeurd.’

Zijn blote knieën schuurden over de ruwe vloerplanken maar hij voelde niets want hij had haar eindelijk gevonden. Nu zou alles goedkomen. Dan doemde er voor zijn neus iemand op uit de schaduw. Het was een man, lang en mager, met halflange, zwarte haren en lichte ogen. Hij keek op Francis neer, lachte minzaam en liep langs hem heen de kamer uit, de trap af, de straat op. Francis zag de vreemde, slanke rug verdwijnen door zijn eigen, smalle voordeur en vroeg zich een seconde af wie dat nu ook al weer kon zijn. Was het Khalief? Had die geen kort haar, geschoren rond de oren en wild wuivend op de kruin? Elsa stapte op Francis toe, ging voor hem op haar knieën zitten, greep de fles uit zijn handen en nam een slok. Zelfs in het donker was haar haar roder dan de bloedrivier in de zevende kring van de hel.

‘En? vroeg ze. ‘Wat is het dat je me wilde vertellen?’

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch