Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

ZE IS

Door Miranda Nanda Maria van Dijk

ZE IS

Ik ontmoette haar in de winter van mijn leven. Ze bracht de zon en verspreidde zinderende hitte, in elke vezel van mijn lijf. Ik smolt en werd een blad in de wind, dat speels bewoog, terwijl ze mij tedere briesjes speels toeblies. De storm was in aantocht. Zij was die storm. Haar zwarte lange haren, die ik het liefst meteen door mijn ranke vingers had willen laten glijden, ruik ik nog. Ze veroverde mij op ongeëvenaarde wijze. Ik liet het gebeuren. Ik wilde haar ontegenzeglijk dichtbij mij voelen.

Elk moment dat ze naar me keek, leek het alsof ze in mijn ziel keek. In iedere glorieuze zin die ze aan mij schreef, kwam ik thuis. Ik voelde haar hartstocht. Het was ook de mijne. Mijn winter werd een onvergetelijke zwoele zomer die niet tot een einde zou komen.

Ze zag de ziel van dingen en had een vrijmoedige elegantie die mij vaak woordeloos maakte. Mijn peilende blik kon haar ogen niet terneerslaan. Integendeel, ze bleef vasthoudend kijken naar elke beweging die ik maakte. Zoveel oprechte aandacht liet mij met vlagen nederig zijn.

Onverwachts klopt deze grauwe grijze dag aan. Zoals de kleur van mijn bijna niet meer hoorbaar hart. Ik zie de kist tergend langzaam omlaag gaan in de natte donkere aarde, die haar wegneemt uit het leven dat zij zo liefhad. Ze kon niet meer. Vastgezogen als een dor blad dat aan de grond plakt en niet meer kan fladderen. Zo voelde ze zich tijdens die laatste intense momenten, terwijl ik haar hand vasthield en het licht langzaam uit haar ogen zag verdwijnen.

‘Blijf voluit leven Liefde’ haar zachte woorden, gekerfd in mijn weer rusteloze hart, waardoor ik een belofte heb waar te maken, naar haar toe, maar nog meer naar mijzelf.

Ze was een vlinder en had zich zoveel eerder ontpopt dan ik. Ik bewonderde haar. Om haar onverwoestbaarheid. Telkens wist ze haar krachtbron aan te boren en stak ze iedereen aan met haar verzengend innerlijk licht. Ik gloeide en bloeide in haar nabijheid.

Nee, ze had dit leven niet zomaar gekregen. Als kind geslagen door vreemden maar nimmer verslagen. Zij stond elke keer weer op, terwijl ieder ander stilletjes was weggegleden in doffe stilte en reddeloze eenzaamheid. Maar zij niet. Nee, zij oversteeg de drama’s en beproevingen waar ze niet voor gekozen had, maar die haar wel gevonden hadden. Ze bleek een leergierige student en kreeg daardoor de zwaarste levenslessen. Haar honger naar leren was onmetelijk.

Ik heb haar geprezen en bemind, zoals je dat vanzelfsprekend doet als je de zuiverste vorm van liefde ervaart. Een ongeslepen diamant. Zo zuiver was zij.

Ik zie haar helder voor mij. Als ik mijn ogen sluit vooral. Haar woeste gebaren van haar toch vaak ook zachte handen, die ze door haar lange donkere haren haalde, als ze ging zitten om piano te spelen met haar ongekende passie. De focus en intense blik in haar licht groene ogen, als ze voor het doek stond en haar ziel wilde uitdrukken met kleurige streken, zoals alleen zij dat kon. Hoe ze iedereen moeiteloos meesleepte in haar vurig pleidooi voor een betere wereld, als we met vrienden heftige discussies voerden en ze lieflijk naar mij knipoogde als ze wist dat ik trots naar haar keek.

Zij wist wat leven was. De belichaming van vurig leven. Dat was zij. Ik had de hoop opgegeven en miste elk geloof om ooit zo’n liefde te vinden. Maar toen kwam zij.

Ze dwaalde.
Straalde.
Omklemde mijn ziel.
Zowaar.
Ik viel.

Voor ogen.
Haar haar.
Dat intiem gebaar.
Maar het meest.
Ze leefde een feest.

Ze uitte.
Voluit.
Wel overdacht.
Met stille kracht.

Ik ademde haar in.
Ze was het einde en begin.

Ze zocht.

Vond.

Mijn mond.

Ik verslond.
Elke zin.
Haar vuur.
Zo puur.

Ze is.
Wie ik hartverscheurend mis.

Ze heeft mij zoveel geleerd door haar onverwoestbare grootheid. Juist op momenten dat ze klein durfde te zijn, ontroerde ze mij het diepst.

‘Dit is zo groot, jou verliezen.’ Ik draai mijn betraand gezicht naar haar toe en kruip dicht tegen haar aan, terwijl ik zachtjes haar haren streel.

‘Maar dat we elkaar gevonden hebben, was het beste wat ons kon overkomen.’ Ze wijst naar de foto’s die ze naast het ziekenhuisbed op het kastje heeft staan. Onze glorieuze momenten samen, in bed, onderweg, op vakanties, tijdens toespraken en emotionele momenten dat we samen of alleen straalden. Onuitwisbare momenten die nu de eeuwigheid zullen moeten doorstaan.

‘Jij bent niet van mij, jij bent van jou,’ zegt ze en ik stik bijna in mijn diepe zucht, die ergens vandaan komt waar ik nooit eerder was.

Bezitsdrang was nooit iets waar we in geloofden. Zij was een vlinder en ik ontpopte naar verloop van tijd en vloog net zo vrij door het leven als zij. Maar telkens kwamen we weer als uitgelaten jonge honden bij elkaar thuis. Met verhalen en anekdotes, dromen en droompjes die we uitplozen op haalbaarheid. We wilden iets in elkaar nog meer tot leven laten komen. Zij gaf een stem aan dingen die voor mij nog lang onuitspreekbaar waren, maar dan liep ze naar mij toe, sloeg haar lange armen om mij heen, drukte mij tegen zich aan en fluisterde dan met sensuele stem in mijn oor: ‘ik weet dat jij dit kunt, dus ga creëren.’

Ze was een windvlaag die in mijn zeilen blies. Een touw dat mij omhoog trok. Een steekvlam die mijn vuur ontstak.

Ze kijkt me aan met waterige ogen en fluistert nauwelijks hoorbaar dat het bijna volbracht is. Ik vraag onnozel wat ze bedoeld. Dan is het stil. Tranen rollen over haar gezicht.

‘Groot verdriet betekent grote liefde. Wat was het mooi met jou.’ Haar stem sterft weg.

Kippevel op iedere centimeter van mijn lijf terwijl ik naar haar kijk en ze haar ogen sluit.

Weg is ze. Ze vliegt haar vrijheid tegemoet. De vrijheid die ik ook zo sterk voelde in de immense liefde die we in elkaar opriepen.

Ze heeft een envelop voor mij achtergelaten, die ik pas mocht openen als ze er niet meer is. Ik trek het laatje open in haar ziekenhuiskastje en maak met trillende vingers de envelop open en mijn hart explodeert als ik haar krullend handschrift lees.

“Deze laatste liefdesbrief voor jou is geen afscheid Liefde. Jij bent van jou en ik van mij. Samen versmelten en daarna weer vrij. Maar wat wij in elkaar tot leven hebben gebracht was onvoorstelbaar, maar het gebeurde als een wonder dat moest gebeuren. Ik ben je zo diep dankbaar voor wat wij hebben ervaren samen, voor elk groot en klein moment. Hoewel jij dacht dat ik het licht bracht, was ik slechts degene die jouw licht bevrijdde en je scheen op mij en dat maakte mij vrij. Wij hebben elkaar niet zomaar gevonden. Jij was ik en ik was jij. Samen waren we de ultieme spiegel. Jij hebt er diep in gekeken en liet mij dingen zien die ik nooit eerder zag in mij. Ik zag de zon en maan, het licht en donker, de reflectie van jouw schoonheid en die van mijzelf. Ik heb nooit geweten en gevoeld wat liefde was tot ik jou met veel bravoure veroverde. Tot jij mij geruststelde dat ik klein mocht zijn, dat was het mooiste wat je mij kon geven want daardoor zag ik dat je heel diep keek. Dat je in mijn ziel keek. Die ziel is onsterfelijk dus ik ben nog steeds bij je. Leef je leven alsof het morgen eindigt en ik daag je uit om alles wat je nog wilt doen en ervaren, vandaag te beginnen met een glimlach op je gezicht. Weet dat ik dan trots in jouw oor fluister: ‘je kunt het, ga creëren’.”

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch