Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zee-kind

Door Paula Laning

‘Wat doen we met haar?’
Susan schrikt van haar eigen vraag. Het leek zo mooi, nog geen jaar geleden. Je eigen koers varen. Geen keuzes meer maken die door anderen beïnvloed worden om ze vervolgens naar believen aan te passen. Dat hadden ze gemeen, in die kroeg waar ze elkaar ontmoetten, waar zijn ruime gebaren het wijnglas uit haar handen hadden geslagen. Woest had ze hem aangekeken, met onuitwisbare rode wijn vlekken op haar nieuwe witte jurkje. Hij knielde voor haar neer, hief zijn handen omhoog, vroeg om vergeving en knipoogde. Ze smolt. Een week later besloten ze hun leven over een andere boeg te gooien. In drie maanden tijd maakten ze schoon schip en daarna, acht maanden geleden alweer, gingen ze aan boord van zijn zeilschip voor een wereldreis die eindeloos mocht duren. Af en toe deden ze een havenstad aan om proviand in te slaan. Verder spraken ze alleen elkaar. Ze filosofeerden over vrijheid, over het leven, over van alles en nog wat, maar nooit over kinderen. Ook niet toen ze vermoedde dat ze zwanger was. Ze durfde hem niet te informeren. Wat moest hij nou met een kind. Vol trots had hij verteld hoe hij erop los had geleefd en elke kaap al eens had gerond. Dat er vast veel nakomelingen van hem rondliepen op deze aardkloot. Hij was zeer bedreven geworden in het ontlopen van zijn verantwoordelijkheid. Hij, tweeënveertig, stoere sportieve flierefluiter, zou nu vader worden. Maar zelf zat ze ook niet op een kind te wachten.
Toen haar buik dikker werd en haar borsten uit haar bh puilden, moest ze het wel zeggen. Hij wilde het er niet over hebben. We zien wel, te zijner tijd, had hij gezegd en daarmee had ze zich laten afschepen. Misschien had hij gehoopt dat het kind er nooit zou komen of dat ze al voor de bevalling verdwenen zou zijn?
Daarna verloren hun gesprekken diepgang en spraken ze steeds minder. Tot er een diepe stilte tussen hen neerdaalde. Zij vond het best. Hij blijkbaar ook.

De zon schittert op het water van de Indische Oceaan. Stoïcijns kijkt Stefan voor zich uit, naar het zeewater dat hen omringt, of naar de blauwe lucht daarboven, ze weet het niet. Hij reageert niet op haar vraag wat te doen met de baby. Logisch, ze durft hem amper hardop uit te spreken. Had ze gedacht dat ze net zo makkelijk afstand zou kunnen doen van haar eigen kind als van de kinderen in het ziekenhuis waar ze longverpleegkundige was geweest? Ja, tijdens haar zwangerschap had ze dat gedacht, hoe naïef.
Hij knijpt zijn ogen tot kleine streepjes. Zijn blik kruipt naar de gebroken stagen, de kapotte lijnen, naar daar waar eens de mast stond. Scherpe splinters wijzen recht omhoog, overblijfsels van de mast nadat deze afbrak en hem een gapende hoofdwond bezorgde, vorige week tijdens het noodweer. Ze heeft hem verpleegd met wat ze vond aan verbandmiddelen, gaf hem pijnstillers. En toen begonnen haar weeën, twee maanden te vroeg.
De boot deint zachtjes op de inmiddels weer rustig kabbelende golven, als een kindje dat in slaap wordt gewiegd. De warme wind strijkt langs haar wangen, bijna teder. De zon brandt op haar blote rug. Haar voeten zijn rood en gezwollen. Ze weet niet wat er gaat gebeuren nu ze niet meer kunnen zeilen. Stefan doet niets, lijkt murw geslagen. Ze heeft hem het hemd van het lijf gevraagd, hoe moet het nu, waar kunnen we heen, met wie kunnen we contact zoeken? Hij had door haar heen gekeken.
Ze zou opnieuw kunnen gaan schrijven om de tijd te doden tot ze worden gevonden. Vroeger hielp het haar om de wereld te ordenen en bij dilemma’s verschillende opties met elkaar te vergelijken. Misschien is er nog een leeg schrift en een pen die het doet.
De baby begint te huilen en meteen druppelt de melk uit haar enorme en pijnlijke borsten. Ze voelt tranen opkomen. Ziet hij wat zij ziet? Het kindje is niet goed, te klein, de huid te verschrompeld, ze opent amper haar oogjes, kan niet goed drinken. Maar hun situatie mag niet uitzichtloos zijn. Ze zijn samen, met z’n drieën. Ze moeten in leven blijven. Het meisje mag blijven, realiseert ze zich met een schok. Tegelijk vraagt ze zich af hoe groot de overlevingskansen van de baby zijn.
‘Stefan, hoe noemen we haar?’
Hij deinst terug, ze ziet het. Hoe noem je een kind dat per ongeluk op zee is verwekt en daar ook geboren? Ze is een zee-kind.

Dan staat ze op, wijst langs hem heen, maakt zich lang met de baby aan haar borst, haar blik strak gericht op de verte. Ze voelt een glimlach opkomen. Hij draait zich ook om. Kijkt waar zij kijkt. Over het heldere groene water met af en toe donkere vlekken, bijna zwart. Golfjes maken kleine schuimkoppen. Vredig.
Samen zien ze het schip. Eventjes maar, voor het weer verdwijnt. En uit het volgende golfdal opduikt.
Hij vliegt als door een wesp gestoken omhoog, brengt zijn hand boven zijn ogen. ‘Vuurpijlen,’ roept hij en sprint naar het vooronder, stoot zijn hoofd, pakt het met beide handen vast en loopt door.
Met vuurpijlen komt hij weer boven. Hij gaat zitten, rustig, pakt de eerste pijl, schiet hem de lucht in, met veel rook en gesis. Recht omhoog gaat ie. Dan maakt hij een rondedansje tussen de banken op het achterdek.
‘We worden gered, Susan, we worden gered!’
Ze lacht om zijn vreugdedans, kijkt naar de krullen die meedeinen op zijn hoofd daar waar geen verband zit. Het schip nadert langzaam, heeft zijn koers gewijzigd en komt recht op hen af. Susan drukt het meisje, gewikkeld in een van zijn oude, vale shirts, voorzichtig tegen zich aan. Ze is zo kwetsbaar en afhankelijk, zo ontzettend veel te klein. Een handje met smalle vingertjes zonder nageltjes ligt op haar borst. De baby drinkt eindelijk. Zou ze merken dat ze welkom is? Zou het nu beter met haar gaan? Ze moet een naam hebben. Alleen wie een naam heeft, zal leven. Maar ook een kind dat het niet redt, heeft recht op een naam.
‘Stefan, we noemen haar Marita, dat betekent parel van de zee.’

1 reactie

j. van Dijken

woensdag, 15:36

Mooi geschreven . met veel gevoel en een zekere spanning hoe dit af zal lopen. Voor mij een dikke 8.

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch