Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zeg dan maar niks meer

Door Tyrel van Eijk

Hij viel. Zo snel, maar toch zo langzaam. Ik zag hem kantelen, en vervolgens zag ik hem vallen. Het duurde nog geen seconde, maar toch duurde het minuten lang. Ik stond slechts enkele meters van de plek verwijderd. Waar hij was terecht gekomen lag een klein plasje bloed. Het was al opgedroogd. Zijn lichaam was el uren geleden weggehaald, maar ik stond daar nog te kijken. Alsof ik een film keek zag ik alles opnieuw. Elke meter dat hij viel zat nog in mijn geheugen gegrift. Zijn haren die wapperden, zijn kleding, dat een ander leven leek te krijgen, vloog hypnotiserend met hem mee. Zijn voldane blik. Hij lachte gewoon, hij lachte! Hij werd geduwd, maar in de korte tijd dat hij naar beneden viel accepteerde hij zijn dood al. Duurde het voor hem ook zo lang? Of was het voorbij voordat het begonnen was?
Het begon al donker te worden, het was al uren later, maar ik stond daar nog. In mijn bestaan heb ik nog nooit iemand zien overlijden. En al helemaal niet op deze manier.
“Gaat het? Het wordt al donker, moet je niet naar huis?” Vroeg een vrouw aan me. Het enige wat ik hoorde was een ruis. Ze herhaalde haar vraag, en nog eens, en nog eens. Ik keek haar aan. Ze was een jaar of tachtig. En keek erg bezorgd hierdoor ontstonden er zo mogelijk nog meer rimpels. Ik snapte ook wel dat ze bezorgd was. Ik was 16 jaar oud en had zojuist zoiets gezien.
Ik keek haar aan zonder haar te zien. Een ruis vulde mijn hoofd. Ik dacht na over de dood, en hoe plotseling het kwam. Eerder die dag had ik nog nagedacht over de liefde, en hoe plotseling het kwam. Ik dacht na over de vrouw, en hoe dicht zij wel niet bij de dood moest zijn. Toen bedacht ik me dat ik het niet wist. Ik wist niet of mijn dood dichterbij was, ik wist niet wanneer mijn dood kwam. Mijn onwetendheid maakte me bang, maar toch gelukkig.
De vrouw herhaald haar vraag; “Gaat het met je? Moet je niet naar huis? Je ouders zullen wel ongerust worden.” Ik gaf geen antwoord, niet omdat ik dat niet kon, maar om iets wat mijn vader ooit zei; “Als je niks nuttigs te zeggen hebt, zeg dan maar niks.” Ik hield me daar altijd aan, maar op dat moment kreeg het voor mij een andere betekenis. Niks was nuttig. Wat ik ook zei, niks kon veranderen aan het feit dat we allemaal zouden sterven. Sommigen vroeg, anderen laat, maar allemaal gaan we dood. Dus ik zei niks, want niks was nuttig. De vrouw liep weg en mompelde iets in de richting van; “De jeugd van tegenwoordig…” Ik hoorde niet wat ze zei, maar het maakte me niet uit. want ze had niks nuttigs te zeggen. “Zeg dan maar niks” zei een stem in mijn hoofd.
Ik pakte een mesje vast. Ik kwam net van mijn bijbaantje, dus ik had hem nog bij me. Ik haalde het uit mijn jas. Ik liep een paar stappen achter de vrouw aan, zonder ook maar een geluid te maken. Ik hief mijn arm en hield het daar. De blik in mijn ogen werd kil. “Zeg dan maar niks.” Hoorde ik weer door mijn hoofd spoken. Ik stak toe, een kort gilletje doorbrak de stilte. De vrouw viel neer en een stilte volgde. De stilte maakte nog meer lawaai dan de gil. De stilte was oorverdovend.
Ik keek hoe ze daar lag en ik bleef even stilstaan. Een gil vulde de straten, een vrouw had het gezien vanaf haar tuin. Ik keek haar aan en liep weg. De kleine straten in. Waar het donker nog meer duisternis verborg.
Ik liep door de kleine straten met slechts enkele huizen. Waar er sneeuw op de weg lag en er een beetje licht kwam van de weinige straatlichten die er stonden. Ik hoorde meerder stemmen vanaf de plek waar de oude vrouw lag. Meerdere sirenes zorgde ervoor dat er meer mensen de straat op kwamen, en dat er meer mensen hun stemmen lieten horen. Ik liep eens stukje richting het geluid. in de schaduw bleef ik staan, kijkend naar het tafereel dat zich daar afspeelde; politie lint dat werd opgehangen, de politie en ziekenbroeders die probeerden om de menigte op afstand te houden, de menigte zelf, dat steeds meer lawaai begon te maken. Een eindeloos gemompel werd af en toe doorbroken door een schreeuw of een snik, waarschijnlijk door iemand die de oude vrouw kende.
Ik stond daar, in de schaduw, te kijken naar een menigte waarin iedereen praatte, en niemand die wat zei had iets nuttigs te zeggen. Alles was voor niks. Wat ze ook zeiden, ze konden niet terugdraaien wat ik had gedaan. Al het gepraat, gemompel en geschreeuw was voor niks. “Zeg dan maar niks” Zei weer de stem in mijn hoofd. Ik liep op de menigte af. Mijn hoofd verborgen onder mijn capuchon en mijn hand om het mes, dat nog steeds rood en plakkerig was van het bloed.
Niemand merkte me op toen ik erbij ging staan, ik was slechts de zoveelste die ging kijken bij de vrouw. Ik liep naar de vrouw die het hardste schreeuwde, het was de vrouw die mij had gezien vanaf haar tuin. Ze had rood haar en een rood jasje aan. Verder zag ik haar niet goed omdat ik achter haar stond. Ik greep het mes beter vast en haalde het uit mijn jaszak. In een vloeiende beweging sneed ik haar keel door. Geen twijfel, geen kille blik, alleen de stem in mijn hoofd dat maar bleef herhalen: “Zeg dan maar niks. Zeg dan maar niks.” Een seconde werd het stil. Toen begon de paniek. Iedereen begon te schreeuwen, te rennen en te duwen. Iedereen wou zo ver mogelijk bij het mes vandaan. Een man struikelde en ik sneed ook zijn keel door.
Ik keek weer op en de menigte was weg. De eerste politie agenten kwamen eraan gerend. Met hun pistool in hun hand, geladen en op mij gericht. Ze gingen in een halve cirkel om me heen staan. Ieder had hun pistool op mij gericht. Een man in het midden begon te praten: “Leg dat mes neer jongeman, we willen geen problemen, maar je moet het mes nu weg leggen. Anders zijn we gedwongen om onze wapens te gebruiken! Leg het mes neer!” Ik was geschrokken. Hij zei iets, maar de stem in mijn hoofd hielt zich stil. Hoe kan dat? Hij praat, maar is het dan toch nuttig? Ik dacht na. Mijn hoofd begon te tollen. Ik snapte niet meer wat er aan de hand was. Hoe kon dit? Het kon toch niet nuttig zijn?.. Toen kwam het binnen. Wat hij zei was wel nuttig. Dit zou namelijk wel de dood kunnen uitstellen. Mijn dood. Tranen begonnen te prikken in mijn hoofd. Mijn hoofd stopte met tollen. De ruis die ik hoorde sinds ik de val zag, verdween.
Terwijl mijn tranen over mijn wangen begonnen te stromen liet ik mijn mes los. Nog voordat het mes de grond raakte, klonk er een knal. Voor een moment was ik verbaasd. Toen ik doorhad wat er gebeurd was, was ik opgelucht. Alle vragen die al de hele dag door mijn hoofd spookten, werden beantwoord. Het duurde lang. Zo lang, de hele wereld leek stil te staan. Alles leek te stoppen, zo ook mijn zorgen. Een rust werd mij meester. Ik lachte een beetje. Ik was voldaan. Ik had gelijk. Wat hij zei had toch geen nut. Ik stierf alsnog. Maar ik was voldaan. Want ik had gelijk. Praten heeft geen nut. Ik zei nooit meer iets. En ik hoorde niemand ooit meer wat zeggen.

7 reacties

Nicoline

donderdag, 19:29

Mooi verhaal.

De Kerstman

woensdag, 13:13

Prachtig verhaal, echt iets nieuws! Ik vondt het geweldig om te lezen😁

Nienke

woensdag, 13:10

Wat een mooi verhaal❤️

Z

woensdag, 12:46

Wat een mooi verhaal. Het ontroerde mij

Not Thomas

woensdag, 12:43

Prachtig. De tranen lopen over mijn wangen na het lezen van dit schitterende verhaal

Nim

woensdag, 11:09

Mooi

Tyrel van Eijk

Auteur woensdag, 09:54

Dit is mijn eerste verhaal dat ik heb gepubliceerd. Bedankt voor het lezen. Ik ben 16 jaar oud en ik hoop dat jullie het leuk vinden! Als er tips zijn, of natuurlijk tops, laat het me dan weten! Dank je!

0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam