Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Meer weten?

Sluiten

Zoah

Door Gino Dekeyzer

En God sprak tot Zoah, een simpel schaapje: ‘Verzamel van alle mensen twee van elke soort en bouw een park.’
Zoah schrok zich een bult. De os en de ezel keken hem met grote ogen aan.
‘Welk park?’ fluisterde Zoah.
‘Dat is om het even. Als iedereen er maar gelukkig is en vreedzaam met elkaar kan leven,’ zei God met een zachte, bijna vrouwelijke stem.
Zoah kon zijn verbazing moeilijk verbergen. De mensen voor de kerststal hielden hun ogen op kindje Jezus gericht. Of op hun frietjes.
Zoah tikte zijn vrouw aan.
‘Truus, God heeft me gevraagd een park te bouwen.’
‘Wie?’
‘God.’
‘Hij weer?’
Zoah knikte.
‘En dat heeft Hij aan jou gevraagd? Een park? Je kunt niet eens een behoorlijke kerststal in elkaar timmeren.’
‘En toch moet ik een park bouwen.’
‘Nu?’
‘Ja, nu.’
‘Ik moet je niet vertellen dat er een vierling op komst is. Ik heb je hier nodig, Zoah.’
‘Ik weet het, maar God …’
‘Waag het niet om me te verlaten.’
Zoah keek naar de drie wijzen die deden alsof ze hem niet hoorden.
‘Het heeft toch niets met Paëlla te maken?’ vroeg Truus.
‘Prunella. Het is Prunella. En nee, het heeft niets met haar te maken.’
‘Doe niets achter mijn rug om of het zal je beste dag niet zijn.’
‘Ik heb niets met Prunella. Voor de zoveelste keer, ze is lesbisch.’
‘En ik ben de Kerstman.’
Zoah boog zijn hoofd.
‘Of is het omdat ze zwart is? Het is haar vacht, hé? Glanzend en een beetje vettig, dat heb jij graag, toch?’ vroeg ze.
Plots vloog een kledder mayonaise in zijn oog. Een dikke man met een cowboyhoed en de jas half open gooide er nog een paar frieten achterna. Zijn irritante lach galmde door het gammele stalletje. Zoah kroop weg in een hoekje.

Bij het vallen van de avond trok hij zich terug uit de stal en struinde door sombere straten. De winkels sloten hun deuren, de kerstverlichting fonkelde in de donkerte. Vanuit een steegje kwam er engelengezang aangewaaid. Een troepje mensen luisterde ingetogen naar dromerige muziek. Zoah bleef op een afstand. Ging liggen. De grond was bevroren. Zonder reden begon hij de mensen te tellen en gleed weg in een diepe slaap. Hij droomde over een weiland, groot genoeg voor een park. Er verscheen een herder. Zoah legde hem de opdracht van God voor. De herder vertelde, met een verrassend meisjesachtige stem, hoe hij het beloofde park kon bereiken aan de hand van de sterren en aan de hand van de zon.
Die nacht sliep Zoah acht uur aan één stuk door. Hij ontwaakte door een klapje op zijn wang. Prunella streek het haar uit zijn ogen. Verweesd keek hij om zich heen, hoestte de krakende kou uit zijn longen en kwam wiebelend overeind. In gedachten verzonken slenterde hij opnieuw richting stal.

‘Ken jij iets van mensen?’ vroeg Zoah aan zijn vrouw.
‘Ik moet er niets van hebben,’ zei ze grimmig. ‘Veel geblaat en weinig wol. Waarom?’
‘God heeft me ook gevraagd om van alle mensen twee van elke soort te verzamelen.’
‘Loop je nog altijd met dat stomme idee rond? Ik besta ook nog.’
‘Ik moet dit doen. Ik kan niet anders. God is … God.’
‘Als God iets vraagt dan spring je. En ik moet alles driemaal vragen zonder dat je een poot verzet. Trouwens, waar was je vannacht? Trouwringen gaan kopen?’
De drie wijzen hielden hun adem in. Prunella volgde alles nauwgezet van achter de stal.
‘Alstublieft, help me, welke soorten mensen zijn er?’
‘Begin maar met de mannen, die zijn allemaal hetzelfde.’
Zoah wist dat aandringen geen zin had.
Truus liep onrustig heen en weer, ging liggen, stond weer op en ging voor de zoveelste keer plassen.
Prunella stapte schoorvoetend de stal binnen.
‘Neem twee gelovigen en twee ongelovigen,’ zei ze. ‘Dat zijn ook twee soorten.’
Zoah vond het een aanlokkelijk voorstel. Het zou hem weinig moeite kosten om zo’n viertal te vinden. Hij keek naar de omstanders en zag twee oude, verfrommelde mensen met een innemende glimlach.
‘Gaan jullie mee naar mijn park?’ vroeg Zoah. ‘Je vindt er eeuwige rust.’
Ze keken elkaar even aan en knikten goedkeurend.
Een koppel met tassen beladen en zichtbaar dronken kon het niet laten de draak te steken met kindje Jezus. Zoah herkende de man die de dag voordien mayonaise naar hem wierp.
Met lichte tegenzin vroeg hij: ‘Gaan jullie mee naar mijn park? Je vindt er oneindig veel rijkdom.’
‘Tegen een schaap zeg ik niet nee,’ lalde de man met de cowboyhoed.
‘Dat is dan geregeld,’ zei Zoah.
‘Ik ga niet hier van de vierling bevallen,’ zei Truus die ongemerkt binnengeslopen was.
Haar uier was al groot en bol en had een lichtrode kleur.
‘Er is geen plaats in deze stal,’ zei ze. ‘We gaan een herberg moeten zoeken.’
Zoah stopte haar wat geld toe. ‘Hier, voor de herberg. En verwen jezelf eens. Ga naar de kapper, nieuwe krulletjes of zo.’
Met de tranen in haar ogen nam ze het geld aan.
Hij vertrok.
Prunella waggelde erachteraan.
Truus rekte haar nek uit, krulde haar lip en stak haar tong uit.

Zoah nam het viertal mee naar wat de herder in zijn dromen het beloofde park had genoemd. De eerste kilometers maalden ze met een aandoenlijke gretigheid af. Ze trotseerden kou en regen, veel regen. Zoah vroeg zich af of hij niet beter een ark had gebouwd.
Na drie uur stappen klaagde het oudere koppel over pijnlijke knieën, het andere koppel over een morrende maag.
‘Is het nog ver?’ vroeg het kreupele mannetje.
‘Wanneer kunnen we eten?’ vroeg de cowboy.
Zoah keek naar de hemel en riep met gesmoorde stem: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij geschapen?’
In de asgrauwe lucht zweefden enkele buizerds.
‘Ik heb vreselijke honger,’ zei de cowboy.
‘Achter die berg, daar ligt het beloofde park,’ zei Zoah om de gemoederen te bedaren.
Hij wees naar een lichte uitstulping op de horizon die met het blote oog nauwelijks zichtbaar was.
‘Zeker weten?’ vroeg de cowboy.
‘Zeker weten.’
Zijn geloof wankelde als een tol op zijn laatste krachten.
‘Sorry voor die mayonaise in de kerststal,’ zei de cowboy. ‘Soms doe ik dingen waar ik later spijt van heb.’
Zoah kreeg kippenvel. Voor het eerst dacht hij aan terugkeren. Naar zijn vrouw, zijn zwangere vrouw. Deze ingeving schoof hij vlug opzij en zette ietwat gelaten zijn tocht voort. ’s Nachts volgde hij de sterren, overdag de schaarse zon, net zoals de herder het opgedragen had. Na tien ijskoude dagen doemde de berg tevoorschijn. Op de top pronkte een gigantische boom.
Zoah kreeg het knap lastig om zijn logge lijf naar boven te zeulen. Hoewel het bitterkoud was, sijpelde het zweet van zijn neus. Zwaar hijgend leunde hij tegen de boom en tuurde naar het dal achter de berg. Hij zag geen park, geen bomen, geen spatje water. Alleen een grote leegte.
Hij wierp een blik over zijn schouder. De mensen waren niet gevolgd. Een verscheurende weidsheid gaapte hem aan. De onmenselijke stilte deed pijn aan zijn oren. Hij zakte door zijn poten.
‘Dit is het,’ hoorde Zoah zeggen. De stem kwam van achter de boom.
‘Prunella?’
Haar vacht glansde, ze straalde.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij.
Ze vlijde zich tegen hem neer.
‘Ik ben zo blij dat je er bent,’ zei ze.
Gulzig en vol gloed besnuffelde ze hem.
‘Dit is het beloofde park,’ zei ze. ‘Hoe ver je ook kijkt, hier heb je eeuwige rust en oneindig veel rijkdom,’ zei ze.
‘Ik zie niets,’ zei hij.
‘Er is grond om alles te bouwen wat je wilt en tegelijkertijd is er niets om oorlog voor te voeren. Geluk en vrede gegarandeerd, dat was toch de opdracht? We zullen hier zo gelukkig zijn.’
Ze likte zijn vacht.
‘Nee, Prunella, niet doen,’ zei Zoah. ‘Ik hoor hier niet te zijn.’
Hij rukte zich los, strompelde onbesuisd van de berg en zette het op een lopen. Met de ogen strak op de grond gericht en de lippen verbeten doorploeterde hij zompige moerassen, stormde over grove grindpaden en overwon bijtende hagelbuien.
Hoe dichter hij bij zijn doel kwam, hoe meer hij de omgeving in zich opnam. Een frisgroene grasvlakte strekte zich voor hem uit. Struise bomen wachtten hem op. Schilderachtige reien rond de stad, zijn eigen stad, doken uit het avondrood op. Zoah zag een levensgroot park. Met in het hart de kerststal waar hij twee weken geleden vertrok. De laatste meters huppelde hij als een gek.
Zijn vrouw lag languit in vers ruikend hooi, vergezeld van vier kleine Zoah’tjes.
‘Je bent te laat,’ zei ze.
Zoah kon met moeite zijn tranen bedwingen.
‘De zon is net ondergegaan,’ zei ze.
De drie wijzen keken de andere kant uit.
‘Dan is het tijd voor de sterren,’ zei hij.
Ze beet op haar lip.
‘Hoe staan de sterren vanavond?’ vroeg ze.
‘In een cirkel,’ zei hij en nam teder haar linkerpootje vast.

geen reacties
0 Fictie

Hap

Anje Gnodde

0 Non-fictie

Een plekje

piet struyf

0 Poetry slam

Verhuizen

Frans Smolders

0 Fictie

plein

Marijke Jasperse

0 Poetry slam

Iets Paars

Desta Matla