Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zullen die mensen denken dat ik een robot ben?

Door Jerney Hendriks

Vanuit mijn ooghoek zag ik hem lopen. Een beetje voorover gebogen. Zoals een man van 72, want dat is hij. Hij loopt van de bar richting een stoel uit het zicht. Mijn hart maakt een klein sprongetje en mijn wangen voel ik rood worden. Niet omdat ik deze man zie. Maar omdat ik weet dat mijn moeder straks, als ik nu snel ga handelen, met haar grootste idool in dezelfde ruimte is. Niet op een podium hè? Maar gewoon op een stoel in het café. Tot zover ging mijn gedachte.. Ik vroeg aan haar: “Zullen we even een bakkie gaan doen?” Ze zei gelukkig “ja hoor” en draaide zich om en liep zonder te weten wie zich daar bevond het café binnen.

Drie uur daarvoor begon ons nachtje weg samen. Mijn moeder en ik zouden slapen in het Stay Okay in Soest en naar het landgoed gaan van Herman van Veen. Ze had tijdschriften bij zich, waarin hij een interview gaf over Landgoed Paltz (ik zeg het nu goed hè mam?) en waar een labyrinttekening op stond die ze graag samen met het klomphuis van Henk en Alfred wilde zien. De auto stond vrij snel geparkeerd aan de rand van het landgoed en we begonnen te wandelen. Later bleek, zoals gewoonlijk, dat wij er helemaal omheen zijn gereden omdat wij nou eenmaal samen altijd verdwalen. Precies aan de andere kant van het landgoed maakte mijn moeder een klein sprongetje toen ze het hek zag met ZIJN naam onder de bel. Het eerste wat we zagen na het hek was een prachtige laan met bomen. Je had dat gezicht van mijn moeder moeten zien. Ze straalde! Op dat moment dacht ik dat ze niet gelukkiger kon worden dan op dát moment, maar ik had toen ook nog niet die man in zijn eigen Art Gallery café zien lopen…

Het café was leeg op haar idool en de barvrouw na. Hij zat aan de andere kant in een grote leunstoel. We zeiden hem beleefd maar kort gedag. Ik zocht een tactische plek uit, mijn kop ratelde. Ik ging schuin met mijn rug naar hem zitten en mijn moeder ging daardoor zo zitten dat ze met haar gezicht naar de zijne keek. “We hebben heel vaak oogcontact” fluisterde ze. “Dit is zo mooi…” Ik zag de ontroering in haar ogen. Nou ja, zien, ze zei ook direct daarna: “wat ontroerend…”, dat kan het ook geweest zijn.

“Zullen die mensen denken dat ik een robot ben?” De prachtige zware stem die normaal “Ik ben vandaag zo vrolijk” en “het regent pijpenstelen” of “Anne, de wereld is zo mooi” zingt zei door de hoge, lege, lichte en witte ruimte opeens een hele andere zin. Die overigens net zo mooi klinkt hoor: “Zullen die mensen denken dat ik een robot ben?” We hebben daarna gepraat, met die robot. Die geen robot of hologram bleek te zijn. Over robots, over zijn tuin en over herten. Maar ook over nieuwe kunstwerken die in de zomer in zijn tuin staan, gemaakt van gaas wat in het donker net mensen lijken. Mijn moeder straalde. Ik werd zo intens blij toen ik naar haar keek. Ik dacht terug aan haar gezicht toen ze alleen al door het hek liep dit landgoed op. Ik dacht dat ze op dat moment niet gelukkiger kon worden maar ik zag toch echt wel nog meer blijheid. Daar was die mooie Herman van Veen stem weer: “Het leven kan soms zo fascinerend en tegelijk zo ingewikkeld zijn”. Ik zei nog, terwijl ik naar het blije hoofd van mijn moeder keek: “en mooi..” maar de man van de grappige liedjes, mooie teksten en gedichten zei tegen mij: “dat zit al in het woord fascinerend..” dan houd je verder je mond natuurlijk. Dan glimlach je gewoon terug, daar ga je niet tegenin. Toch blijft die allereerste zin van hem, die hij stelde richting de barvrouw over ons heen, mij bezig houden. Wat wilde hij daar toch mee zeggen?

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam