Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zwanenzang

Door Annemarie Vermeulen

Met kleine, scherpe tanden knaagt de kou venijnig aan haar huid. ‘Doorzwemmen,’ moedigt ze zichzelf aan, ‘dan blijf je warm.’ Het is donker. Ze schat in dat ze over de helft is, dus omdraaien heeft geen zin. Niet dat ze dat van plan is, ze wil juist bewijzen dat ze het kan. Naar de Gschwand-kant is ze al honderden keren gezwommen, maar Strobl heeft ze nog nooit aangedurfd. ‘Dat kun jij niet,’ herhaalde haar vader steeds als ze hem vroeg mee te varen met het bootje. Nu zal ze voor eens en voor altijd bewijzen dat ze het wél kan. Niet aan haar vader, maar aan het kind dat ze veilig warm in zich draagt. Het zal trots zijn op zijn moeder.

Dat mijn tante Roswitha heette en niet Glurly, zoals iedereen haar noemde, ontdekte ik pas toen haar lichaam aanspoelde in de buurt van Strobl aan de zuidoostelijke oever van de Wolfgangsee, wat vreemd was want de wind kwam uit het oosten. Pas toen de storm rondom haar dood ging liggen – Duschko was vrijgelaten en Roswitha lag onder haar tijdelijke houten kruis in het familiegraf – durfde ik mijn moeder ernaar te vragen.

‘Mijn zusje werd al na zes maanden geboren,’ legde ze uit, ‘dat is veel te vroeg. Ze woog bijna niks en had een piepklein gezichtje. Daardoor leken haar ogen juist heel groot. Je opa noemde haar toen Glurly,’

‘…?’

‘Glurly komt van glur’n. Dat betekent kijken in het dialect. Pas later kreeg ze die schildklierafwijking, waardoor haar ogen gingen uitpuilen. Ze had van die bolle ogen, weet je nog? Ik denk dat het daarom altijd Glurly is gebleven.’

Ik vroeg haar niet waarom iedereen haar na haar dood opeens bij haar echte naam noemde. Ik had een meer prangende vraag. ‘Ben ik naar haar vernoemd?’ Mijn tweede naam is Roswitha.

‘Ja natuurlijk, lieverd, dat wist je toch wel?’

Nee, dat wist ik niet. Ik had me vooral verbaasd over, of liever gezegd gegeneerd voor mijn afwijkende doopnaam. In het katholieke Brabant waar ik opgroeide waren doopnamen regelmatig het onderwerp van gesprek. Mijn vriendinnen hadden er soms wel vier, waarvan altijd één Maria. ‘Ik heet alleen Annemarie,’ ontkende ik mijn Germaanse tweede naam en toen mijn tante doodging, durfde ik de twijfelachtige faam ervan niet meer claimen.

Ik was acht toen mijn tante stierf en heb altijd gemeend dat ik met haar naam, ook haar persoon had ontkend. Of het schuldgevoel was of gewoon platte nieuwsgierigheid, iets dreef mij dertig jaar later naar het politiebureau van Bad Ischl. Ik wilde meer weten over haar dood. Ramsauer, de inspecteur die zich met de zaak Roswitha Leifer had bezig gehouden, bleek te zijn overleden. De receptioniste adviseerde me schriftelijk toestemming te vragen tot inzage in het dossier. Dat kon wel zes weken duren, die ik in ons familiehotel aan de Wolfgangsee wilde doorbrengen. Daar had ik alle gelegenheid om met de oudere Wolfgangers te praten.

Het beeld dat zij van mijn tante schetsten was niet anders dan dat ik van mijn moeder wist. Roswitha leek een onopvallende, kleurloze figuur. Ze leidde een teruggetrokken bestaan in het hotel en was alleen te zien als ze ging zwemmen. Een schim in de schaduw, door haar dood opeens een bekend, publiek persoon. Mijn opa daarentegen, als plaatselijke huisarts een gerespecteerd dorpsnotabele, was dat altijd al geweest. De rol die hij in het leven van mijn tante speelde, werd afgeschilderd als een soort lokale legende:

‘Je tante werd veel te vroeg geboren. De Nazi’s waren toen aan de macht. Onder hen was geen zorg voor premature kinderen; zwakkelingen moesten maar sterven. Gelukkig was je opa een geweldige dokter. Tegen alle verwachtingen in wist hij haar in leven te houden. Haar gezondheid bleef altijd broos. Ze kon niet goed leren en met die ogen was ze ook niet bepaald moeders mooiste. Je opa deed alles voor haar. Zelfs het hotel bouwde hij voor haar op, zodat ze een verzorgde toekomst had.’ Het verhaal wil dat hij zich na haar dood twee dagen opsloot in zijn kamer en toen hij er weer uit kwam, zijn nog altijd donkere haar tot diep in de wortels zilvergrijs was gekleurd. Niemand heeft hem ooit een traan zien laten en toch zeggen ze dat hij voortijdig stierf aan een gebroken hart. Ik herinner me vooral een kleine man met een harde, autoritaire stem, en dacht al jong te begrijpen waarom mijn moeder naar Nederland was uitgeweken.

Over de oorzaak van haar dood deden nog steeds allerlei verhalen de ronde: verdrinking, zelfmoord of moord, de Wolfgangers waren het er duidelijk niet over eens. Waar ze het wel over eens waren, was dat ‘die gastarbeider’ er vast meer van wist. Dat was natuurlijk Duschko, in mijn herinnering knap en bruingebrand, zijn naam nog steeds leesbaar in onze betonnen zwemtrap. Duschko, die achter mij aansprong om me uit het water te redden, terwijl op mijn rode zwembroek een troste ‘A’ prijkte. Na haar overlijden bleek mijn tante, alleenstaand en bijna 40 jaar, zwanger te zijn. Wie had dat gedacht? Het lelijke eendje dat nooit een zwaan zou worden, had een minnaar. Lang speculeren over de mogelijke vader was niet nodig, want Duschko meldde zich zelf en werd prompt door Ramsauer gearresteerd. Op grond waarvan was niet duidelijk, maar in het xenofobe Oostenrijk was het feit dat hij Kroaat was en geen alibi had, voldoende om hem pas na drie weken weer vrij te laten. Niet lang daarna vertrok hij naar zijn geboortedorp Vinodolska, waar ik hem terugvond op een terrasje. Of het de tijd was of de slivovitsj, zijn Duits was er niet beter op geworden.

‘Ik zag haar. Ik hield misschien niet van haar, maar ik zag haar. Niemand zag haar, ik wel. Iedereen zei Glurly, ik zei Roswitha. Zij haatte Glurly.’ Hij stak een sigaret op. ‘Mensen dachten dat ik haar dood heb gemaakt. Waarom? Zij was mijn toekomst. Het hotel, de baby. Met haar raakte ik alles kwijt.’ Hij boog zich zo dicht naar mij toe, dat zijn adem mij opzij dwong. ‘Zij had een obsessie’, verklaarde hij, ‘zij wilde naar Strobl zwemmen. Iets bewijzen of zo. Ik zei: niet doen. Zij deed het toch. Het was oktober, te koud. Ik wachtte op haar, met rozen. Zij kwam niet….. Had ik haar in het water moeten laten liggen?’ Hij stond zo abrupt op, dat zijn stoel ervan omviel. ‘Ik heb te veel gezegd.’ Mijn smeekbedes negerend verliet hij wankelend het terras en liet mij met alleen de rekening achter.

Terug in Oostenrijk kreeg ik eindelijk het bericht dat ik het politiedossier mocht inzien. Mijn handen plakten aan de papieren, vochtig van spanning. Het eerste dat ik eruit viste was een foto, een verbleekt portret van mijn dode tante op een brancard en met een schok stelde ik vast dat daar waar je haar ogen zou vermoeden, twee holle zwarte gaten zaten. Er was nog een foto, bijna hetzelfde portret, genomen op de vindplaats. Daarop waren beide oogkassen bedekt met een bloem. Een roos. Twee rozen, Roswitha’s dodenmasker.

In het dossier stond te lezen dat mijn tante een natuurlijke verdrinkingsdood stierf. De officiële lezing was dat een roofvis, waarschijnlijk een snoek, haar ogen eruit had gegeten en dat een onbekende voorbijganger ze met rozen had bedekt. Met de familie, expliciet de vader ‘de eerbare dr. Leifer’, was uit respect overeen gekomen, dit detail niet naar buiten te brengen.

Ik haal diep adem, zet mij af en duik zo ver ik kan in het koele meer. Vandaag herdenk ik Roswitha door de oversteek naar Strobl te maken. Op haar geboortedag begin september, is het water aangenaam. Voor de zekerheid vaart er een bootje met familieleden mee, waaronder mijn moeder, die een bos rozen bij zich heeft om één voor één in het water te gooien. Ik heb getraind, weet dat ik het kan en vind mijn cadans in een regelmatige slag. Mijn moeders stem haalt mij uit mijn concentratie: ‘Kijk, Annemarie, achter je!’ Als ik mij omdraai zie ik het witte verenkleed van een naderende zwaan, die met ons mee lijkt te zwemmen.

geen reacties
0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam

1 Fictie

Hol

Gerardus J. Visch