Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

zwarte maan

Door Tseard Zoethout

Plotseling waren ze er. Vanuit de achterzijde van de nacht. Vier, vijf, zes, soms zeven in getal. De een iets groter of forser dan de ander. Als vaatdoeken bleven ze uren aan de treurwilg hangen, nauwelijks een el lang. Doodstil, roerloos en bijna verdwijnend in het hofje. Totdat enkelen vertrokken en ze de volgende nacht terugkeerden. Wie niet beter wist of ze niet zag vliegen, had kunnen denken dat ze heksenbezems waren. Maar daarvoor waren ze te massief, ondoordringbaar. De enige heksenbezem van het dorp zat in het berkenbosje. Op de binnenplaats doemden steeds meer uitwerpselen op, niet groter dan het knuistje van een zuigeling. Zwartbruin, langwerpig, en bespikkeld met resten van stro. Wie ze ging ontleden, zag er sporen van insecten in, kevers, nagels, veren, haren of zelfs een minuscuul stukje schedel.
Zo kregen ze hen in de gaten toen ze dat hofje binnendrongen. Het hekje piepte als een vluchtende veldmuis. Ze hadden niets te doen, de vakantie was als een schimmel opengebroken, negen, tien graden Celsius terwijl er sneeuw had moeten liggen, en ze verveelden zich. ‘Godver, wat heb ik nu aan mijn schoen?’ zei de man terwijl hij naar beneden keek, naar de rottende bladeren op het pad. ‘Wat is dit hier voor een shit?’ De jongen wees met zijn wijsvinger naar boven. Nieuwsgierig struinden de jongen en man naderbij. Vier, vijf kopjes draaiden zich meer dan honderd graden naar hen om. Zwartgele ogen lichtten als speldenknoppen op. Voordat ze het in de gaten hadden, vlogen ze op, geruisloos, hun vlerken als doodseskaders uitgespreid.
De man plukte een laserpen uit zijn linkerzak. Knipte hem aan, scheen zoekend door de boom, richtte die op de achterblijvers. Hun ovaalronde maskers werden in felgroen licht gezet. Angstig vlogen ze weg. De laatste schampte bijna tegen de schuur, verblind door de lichtstraal. De man lachte gemeen toen ze in de struiken verdwenen.
‘Waarom deed je dat nou?’ zei de jongen.
‘Zomaar’, zei de man schokschouderend en borg de laserpen in zijn jas op. ‘Ik hoef jóu toch geen verklaring te geven, knul?’
‘Die dieren zijn beschermd hoor.’
‘Snotneus, je hoeft me de les niet te lezen.’
‘En bijna met uitsterven bedreigd…’
‘Hou je bek!’
Geschrokken door zijn felheid slikte de jongen zijn antwoord in. Hij herinnerde zich hoe ze hier waren komen te wonen. Hij mocht hem niet, verfoeide zijn chagrijn. Na school zat hij het liefst bij de zus van wijlen zijn moeder. Wanneer dat niet het geval was, zwierf hij door velden en bossen, altijd een camera ter hand. ’s Avonds, na hun maaltijd die in stilzwijgen leek uitgehakt, trok hij zich terug. Op zijn tablet bekeek hij zijn foto’s, dan porno. Vervolgens legde hij het apparaat op het nachtkastje en begon zich af te trekken terwijl hij dacht aan het blondje dat achter hem in de klas zat, een kei in exacte vakken. Hij imponeerde haar met verhalen over de geheimen der natuur, broedplaatsen en vogels, en gaf haar complimentjes. Ze glimlachte verleidelijk, ging op hem zitten, pakte zijn komkommer die in haar perzik verdween, haar ogen sperden zich open. Al snel bereed ze hem als een paardje, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller. Twee werden één. Toen hij klaargekomen was, zag hij door het gordijn een zwarte maan.
In dromen keerde ze terug. Afgrijselijk mooi. Haar naam ontvouwde zich als een windvlaag vol stof en zand. De man schreeuwde, zonder geluid voort te brengen. Hij scheen versteend. Waarom heb je me verlaten? Laat me. Nee. Laat me niet alleen. Ja. Hij huilde, probeerde haar naar zich toe te trekken. Maar ze was sterker dan hem. Je kooit me. Tranen stonden in haar ogen. Ze rook naar anemoon. Een wand op de bouwplaats stortte in. Hij, de wand, zijn knechten, planken, schaven en spijkers, moeren, bouten en beitels, alles viel. Op de bodem van een spelonk zag hij haar zitten. Naakt, kil. Hij rilde alsof hij koorts had. Ze borstelde haar rossige haar voor een spiegel. Als vlammen slingerden die zich rondom haar borsten. Haar geur, blik en gestalte bedwelmden hem. Blijf bij mij, snikte hij. Nee, ik ga. Hij kreeg een steek in zijn hart toen ze zich omdraaide. Achter haar volgden slangen en uilen, indigo gesluierde mannen. Het geluid zwol aan. Haar ogen, blauw als oase, zag hij als laatste. Ze doorboorden hem, ogen waarin hij volledig verdween totdat hij door zijn eigen geronk ontwaakte.
De volgende ochtend ging de man weer naar de treurwilg, ditmaal zonder de jongen. In de boom zaten er meer, forser en groter. Opnieuw haalde hij de laserpen uit zijn jaszak, en knipte die aan. Wist dat hij op hun kop moest richten. Even angstig als kwaad vlogen de eerst getroffenen op. De voorlaatste leek even in zijn richting te komen, boog daarna krijsend af. Die blik zou hij niet snel vergeten. Daarna waren ze verdwenen. De man grijnsde, borg zijn pen op, liep terug en maakte de jongen wakker. Schraapte zijn keel en zei: ‘Hier, jouw ontbijt, zo heb je het lang niet gehad’.
‘Hoi’, zei de jongen toen hij zijn vrienden op het schoolplein zag. Met opzet had hij de gebeurtenis niet via Whatsapp gedeeld. ‘Weet je wat ik heb gezien? Ooievaars! Ruim een dozijn dribbelde op de velden achter ons huis.’ ‘Nee, echt, heb je er foto’s met je mobieltje van genomen?’ zei de sterkste gretig. Drie keer per week zat zijn gespierde vriendje in de sportschool. ‘Nou, moet je maar zien’, en de jongen toonde allen trots de foto’s van hoe de vogels door de drassige weilanden paradeerden. Het blondje dat de hand van de sporter vasthield, keek hem bewonderend aan. Hij smolt. ‘De volgende ochtend waren ze gevlogen’, zei hij. ‘Jaja, allemaal fraai’, zei zijn andere vriend, ‘maar dit is veel mooier’. Uit zijn rugzak haalde hij het allernieuwste tablet. Omstandig toonde hij een video van honderden spreeuwen die capriolen in de lucht uithaalden. Hij oogstte applaus, zwol op als een pompoen.
De bel snerpte, het eerste uur.
Een struise boerendochter, mee-eters op haar kin waarmee ze werd gepest, zei tegen hem: ‘Zou het de verandering van het klimaat zijn? Vorige maand hadden we een muizenplaag die onze weilanden met knagen en gaten vernielden. ‘Ach gottegot, die arme boertjes’, zei de sporter die haar opmerking hoorde, ‘altijd wat te klagen, nooit goed. Hé Wietske, wielewiele Wietske’, spotte hij, ‘zal ik jouw pukkeltjes uitdrukken, wie weet of het pus dat er dan uit spuit om jullie akkers te kunnen bevruchten’ en hij maakte een schijnbeweging. Ze deinsde terug, verloor haar evenwicht en dreigde van de trap te stuiteren. Haar vriendinnen vingen haar op, een punker en alto. De punker stak haar middelvinger woedend zijn richting uit. De sporter en de rest van de groep lachte, de jongen deed maar alsof en schaamde zich er een beetje voor.
Meeuwen, ganzen, kraaien en eenden vermeerderen zich in die veel te warme weken voor Kerst 2016. Zeemeeuwen zwermden binnen, cirkelden boven verzopen weilanden, boven de sloten die het dorp als een gewijde krans omsloten. Kraaien stroopten de boomkruinen af, scheten op daken en stilstaande auto’s. Woerden maakten elkaar vechtend en schreeuwend in de trekvaart af. Ganzen bleken het spoor nog het meest bijster. De kraaien begonnen als eerste. Een grijsaard werd op zijn kop gepikt, en viel op straat. Twee jongens filmden het gebeuren met hun mobiel zonder in te grijpen. Een vrouw hielp de oude ter been en verjoeg hen zowel als jongens.
Zoals gewoonlijk aangeschoten na afloop van de biljartavond liep de man terug. Hij waggelde, blaakte van trots. Ha! Had hij die loonwerker toch te pakken genomen. Stomme opschepper. Pochte dat hij zijn driebander niet zou kunnen verbeteren. Vanuit grote achterstand maakte hij de een na de andere stoot. Iemand sloeg hem op de schouder. Hoeveel rondjes er na het biljarten volgden, wist hij niet meer. Sloeg een zijstraatje in, bijna thuis. Overmorgen, nee morgen zou het Kerstavond zijn.
Toen doken ze op. Vanuit de achterzijde van de donkere nacht. Felle pijn schoot door zijn achterhoofd. Met zijn vrije hand greep hij ernaar. Tijd om daarover na te denken kreeg hij niet. Bloed wrong zich naar buiten, klauwen grepen zijn hoofd beet en begonnen te schudden. Hij greep het foedraal van zijn keu en begon om zich heen te slaan. De aanvaller liet los. Meer bloed gutste uit zijn hoofd. Angst sloeg hem om het hart, hij kon nauwelijks meer lopen. Tot een derde aanval volgde. Vier, vijf en meer roofdieren stortten zich op hem, zijn parka werd aan flarden gescheurd, hij viel op straat. Hij kon zich niet langer tegen hun aanvallen verweren, de ransuilen plukten overal. Lilith, was zijn laatste gedachte voor dat ze hem, met hun snavels, de ogen uitstoken.
Het was slechts het begin. Ook zeemeeuwen, woerden, kraaien en ganzen maakten zich op voor de aanval, verschenen in steeds groter getale, als boodschappers van de goden.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam