Debutantenschrijfwedstrijd

voor alle schrijvers in spe

Informatie & spelregels

Sluiten

Zwijgende stad

Door Ed Ridderbeekx

In Badajoz verdwaal je niet. Mocht je in het lage gedeelte van de stad gedesoriënteerd raken, dan neem je de eerste de beste steeg of straat die omhoog loopt waarna je onvermijdelijk weer belandt op de centrale Plaza España, waar de bars als een enorm hoefijzer rond de kathedraal geslagen liggen. Of nog hoger, op de Plaza Alta en bij de oude Moorse stadsmuren die uitzicht geven over het droge laagland dat in het oosten wordt doorsneden door de Rio Guadiana. Op de andere oever, een paar kilometer verderop, ligt Portugal.

Om het heden te vinden heb je in Badajoz geen kaart nodig. Het verleden, dat is een ander verhaal. Als een stad littekens kan verbergen, dan heeft Badajoz daar haar best op gedaan. Ze zwijgt in de hoop dat de reiziger niet teveel vragen stelt en snel weer vertrekt, en aan hen die haar proberen lief te hebben vertelt ze slechts met moeite en tegenzin over haar oude pijn.

Het bedrijfspand van de voormalige Garajes Pla staat enigszins plomp op een hoek in de benedenstad, daar waar de smalle Calle Zurbarán zich opent naar de Plaza San Atón. Het is een opvallend modernistisch bouwsel in oker en steenrood temidden van fantasieloze nieuwbouw, maar als zijn geschiedenis je niet verteld is loop je er toch achteloos aan voorbij. Achter de ronde ramen huist tegenwoordig de Orde van Advocaten, een eerbiedwaardig bolwerk van rechtvaardigheid dat contrasteert met het harde lot dat zijn eerdere eigenaren ten deel viel. Om de tegenstelling te voelen moet je een paar honderd meter in een rechte lijn naar het zuiden. Niet dat je daar geraakt wordt door iets wat je ziet; het is wat ontbreekt dat je aandacht vraagt. Het is de plek van de oude wond, het terrein van de voormalige stierenvechtersarena, waarop het gemeentebestuur lang geleden een park en een congrescentrum heeft aangelegd: wandelaars en beursgangers als littekenzalf. Niets herinnert aan de doden, de stank van bloed en lijken in de zomerhitte is vergeten, het geweld lijkt voorgoed verstomd.

Juan Pla was een succesvol ondernemer. Sommigen zeggen zelfs dat het afgunst was dat hem ten val bracht. Afkomstig uit een familie met Catalaanse wortels was de jonge Pla in de vroege jaren van de twintigste eeuw een gedreven type met een meer dan gemiddelde belangstelling voor automobielen. Hij importeerde er een in Madrid, reisde daarin naar Badajoz en verkocht hem tegen een goede prijs. Dat herhaalde hij een aantal keren met succes en hij raakte ervan overtuigd dat dit een lucratieve handel zou worden. Hij verwierf een concessie, liet de showroom op de hoek van Zurbarán en de Plaza San Atón bouwen, en werd de eerste dealer van het Amerikaanse Dodge in Spanje.

De politieke onrust in Spanje halverwege de jaren dertig baarde de familie Pla aanvankelijk niet al te veel zorgen. Ze waren in goeden doen, de zaken liepen voorspoedig, en hun engangement lag ergens aan de gematigde linkerkant van het politieke spectrum. Juan Pla was weliswaar ondernemer, maar hij trok zich de slechte omstandigheden van arbeiders aan en was ervan overtuigd dat het lot van de werkende klasse bij het socialisme in betere handen was dan bij rechts. Het dreigende conflict hield de familie niet weg van een vakantie in het Portugese Estoril. Toen de nationalisten in 1936 vanuit Noord-Afrika hun campagne op Spaanse bodem begonnen was de burgeroorlog een feit. De situatie werd zorgelijk toen berichten de stad bereikten over de gewelddadigheden in Sevilla, waar de nationalisten met harde hand het verzet van de republikeinen hadden gebroken. In Badajoz, waar de republikeinen het bestuur nog in handen hadden, werd als reactie daarop een groep burgers met nationalistische sympathieën uit voorzorg gevangen gezet. Toen een woedende menigte van politieke tegenstanders naar de gevangenis trok om het recht in eigen hand te nemen, zorgden Juan Pla en diens broer Carlos dat de gemoederen tot bedaren kwamen en slaagden ze erin een lynchpartij te voorkomen. Die beschermende rol herhaalde Juan Pla toen de falangisten hun mars vanuit Sevilla naar Extremadura voortzetten. De volkswoede van de republikeinen richtte zich in republikeinse delen van het land inmiddels ook op de clerus, die werd gezien als een natuurlijke bondgenoot van de opstandelingen. Juan Pla aarzelde niet en verborg enkele priesters in zijn huis om ze tegen een duister lot te beschermen.

Badajoz viel op 16 augustus 1936. Het geweld dat op de inname van de stad volgde was erger dan van de aanval waaronder ze was bezweken. Tot op heden is onduidelijk hoeveel burgerslachtoffers er vielen. De ramingen lopen uiteen van honderden tot enkele duizenden. Wat geen twijfel leidt is dat de nationalisten, in belangrijke mate geharde Noord-Afrikaanse regulares, geen mededogen hadden met diegenen die sympathiseerden met de republikeinse zaak of daarvan verdacht werden. Er werd geplunderd en verkracht. De stierenvechtersarena was een centrale plaats. Talloze mannen werden daar door de falangisten samengedreven en koelbloedig geëxecuteerd. De straten kleurden rood van het bloed, en de stank van dode en verbrande lichamen in Badajoz was ziekmakend.
Ook Juan en Carlos Pla werden opgepakt. Alhoewel ze aanvankelijk dachten dat ze niets te vrezen hadden volgde er een kort verhoor met een belastende conclusie. De familie Pla, ongerust over hun zonen en steunend op goede connecties in de stad, schakelde de bisschop in om hun zaak te bepleiten bij kolonel Yagüe, de bevelhebber van de nationalisten. Toen de militair de geestelijke ontving tijdens zijn ontbijt in Hotel Majestic, was hij kortaf:
“Zodat sommigen kunnen leven zoals U, monseigneur, zullen anderen moeten sterven.”
Daarmee was de kous af en het lot van de twee broers bezegeld.

De negenjarige Luis Pla werd op 19 augustus 1936 wakker van het geweeklaag van zijn moeder en het gehuil van de bedienden. Zijn vader Juan en zijn oom Carlos waren vroeg in de ochtend geëxecuteerd. Ternauwernood kon de familie voorkomen dat hun lichamen werden verbrand en in een van de massagraven buiten de stad werden gegooid. Voor de jonge Luis was het verlies van zijn energieke vader een enorme klap, maar de vernedering moest nog beginnen. Het familiebezit werd verbeurd verklaard en kon pas later voor een enorme som van de staat worden teruggekocht. Toen de nationalisten de oorlog in hun voordeel hadden beslecht liet Yagüe, ‘de slager van Badajoz’, zich in triomf door de straten rijden – in een Dodge convertible uit de voorraad van de Pla’s. Vele jaren later kreeg de volwassen Luis een rapport onder ogen waarin Yagües bevel tot executie van zijn vader en zijn oom was genotuleerd:
“Maak ze af, want anders lijkt het alsof we alleen de armen om zeep helpen.”

Badajoz krijgt haar zin. Niemand blijft er lang. Eén nacht misschien, op weg van de Meseta naar de Atlantische kust, op doorreis van Madrid naar Lissabon. In het museum ben je alleen met de vrouwen die Antonio Juez Nieto aan het doek heeft toevertrouwd. Vrouwen, die je met hun trotse blik proberen te verleiden nog een nacht langer te blijven. De enkeling die meer van de stadsgeschiedenis wil weten zoekt op de plaats van de oude stierenvechtersarena tevergeefs naar iets wat herinnert aan die bloedige dagen in augustus 1936. Geen plaquette, geen gedenksteen. Er is niets. Wat rest is de weg omhoog, uit de donkere put van de geschiedenis naar het hoge gedeelte van de stad. Pas daar, in je eentje op de muren van het Alcazaba, buiten adem van de klim, ligt ook het verborgen verleden achter je. De gemeente heeft een congrescentrum gebouwd en een park aangelegd, maar het litteken blijft. In de verte stroomt de Guadiana naar de open zee, ver in het zuiden.
——–
Naschrift
In november 2016 was ik te gast bij Luis Pla Ortiz de Urbina, de zoon uit het verhaal. Don Luis was een charmante en voor zijn hoge leeftijd nog vitale man, die me in de studiekamer van zijn huis in Badajoz ontving en me geduldig zijn familieverhaal vertelde. Na het herstel van de democratie in Spanje zette hij zich in voor zijn stad én voor de herinnering aan de slachtoffers van de burgeroorlog. Ik moest beloven zijn verhaal nog eens op te schrijven. Een week na die ontmoeting – ik was inmiddels uit Extremadura vertrokken – kreeg ik een telefoontje uit Badajoz. Don Luis, een week eerder nog kranig, was plotseling overleden, eenennegentig jaar oud.

geen reacties
0 Fictie

Rauwe pijn

Sahar Noor

0 Non-fictie

IKEA

Dario Goldbach

0 Non-fictie

De Ijsfabriek

Nora van Arkel

0 Fictie

Weerzien

Peter Roling

8 Fictie

OP DRIFT

jes de Kam